`De oprechte leiders van Atjeh houden zich nog stil'

In Atjeh weerklinkt de roep om onafhankelijkheid. Maar de echte leiders die inhoud kunnen geven aan Atjehs ambities moeten nog opstaan, zegt ingenieur T. Zainul Arifin Panglima Polem, nazaat van een invloedrijk geslacht dat verweven is met de geschiedenis van Atjeh.

Het is de tragiek van Atjeh dat het, nu het zijn recht op zelfbeschikking opeist, niemand heeft die het een begaanbare weg kan wijzen naar de verlangde vrijheid. De Atjehers moeten het zonder leiders stellen.

De studenten die ijveren voor een referendum worden aangevoerd door enthousiaste, maar onervaren jonge doctorandussen. Muhammad Nazar (26), hun voorman, spreekt vloeiend Arabisch en redelijk Engels – hij studeerde een blauwe maandag in Maleisië – maar daar houdt zijn kennis van de buitenwereld op. Nazar denkt nog steeds dat de Verenigde Naties het geplaagde Atjeh te hulp zullen snellen.

De guerrillastrijders van de Beweging Vrij Atjeh (GAM) verwachten alle heil van een oude man in Zweden: Hasan di Tiro (69). Die sleet een groot deel van zijn leven in het buitenland, weet meer van zaken doen dan van politiek en zijn aanspraak op de `troon' van Atjeh is even aanvechtbaar als anachronistisch. Zijn commandant te velde, Abdullah Syafei, denkt dat het probleem is opgelost als Nederland zijn oorlogsverklaring van 1873 intrekt en de soevereiniteit alsnog overdraagt aan de Atjehers.

De gouverneur van Atjeh, Syamsuddin Mahmud, is van goede wil, maar mist de krachtdadigheid en het charisma die nodig zijn om richting te geven aan massa's als die welke vorige week maandag door de straten van Banda Atjeh trok. Mahmud (64) zag het liefst dat Atjeh bij Indonesië bleef, maar zwichtte vorige week – net als het hele streekparlement – voor de volkswil en tekende de petitie voor een referendum.

Omdat zij al ruim een eeuw worden geringeloord door machthebbers elders hebben de Atjehers hun energie en ambities vooral uitgeleefd in de oorlog en de emigratie. Atjehs beste zonen zijn uitgeweken of gesneuveld, in de strijd tegen de Nederlanders en onder de handen van Indonesische militairen.

Eén familie heeft de geschiedenis van Atjeh helpen schrijven en heeft alle bloedbaden overleefd: het geslacht Panglima Polem. Van 1607 tot 1636, toen Atjeh een geduchte militaire en handelsmogendheid was, werd het geregeerd door sultan Iskandar Muda. Bij zijn koninklijke gade had hij één zoon. Die vergreep zich aan de vrouw van een officier en werd op last van de ulama (schriftgeleerden) doodgegeseld. Iskandar had nog een zoon, bij een bijvrouw. Die achtte zichzelf niet verheven genoeg om sultan te worden en koos de rol van panglima polem (kingmaker).

Dit werd een erfelijke titel van deze koninklijke tak en de Panglima Polem hebben twee en een halve eeuw beslist wie er sultan werd, tot en met de laatste, die in 1903 ten overstaan van Van Heutsz en Colijn troonsafstand deed. In datzelfde jaar gaf legeraanvoerder Muhammud Daud Panglima Polem zich over aan de Nederlanders. Diens zoon, Muhammad Ali, koos in 1945 voor de Republiek Indonesië.

De jongste telg is ingenieur T. Zainul Arifin Panglima Polem, provinciaal ambtenaar in Banda Atjeh. Die `T' staat voor teuku, een erfelijke titel van de oude ambtsadel. Over de dynastieke aanspraken van Hasan di Tiro is Zainul Arifin kort: ,,Heel zwak. Hij zegt dat hij via de vrouwelijke lijn de enige mannelijke nazaat is van Cik di Tiro, een ulama, die in de Atjeh Oorlog zij aan zij vocht met mijn grootvader. Cik was een groot legeraanvoerder en schriftgeleerde, maar hij had geen druppel blauw bloed.''

De zoon van de laatste sultan stierf heel jong en zijn dochter had geen kinderen. De Panglima Polem zijn de laatste nazaten van de grote Iskandar Muda. Maken zij nog aanspraak op de troon?

Zainul Arifin: ,,Mijn vader was republikein en democraat. En vond dat het volk zijn leiders zelf moet kiezen. Later, zeker onder de Nieuwe Orde (het Soeharto-bewind, red.) is daar niets van terechtgekomen. Jakarta stelde de gouverneurs van Atjeh aan en daarbij gaven kwaliteiten noch de volkswil, maar geld en connecties de doorslag''.

Di Tiro's GAM doet het graag voorkomen alsof zij de Atjeh Oorlog voortzet, maar nu tegen het `Javaanse kolonialisme'.Is de GAM-guerrilla een verlengstuk van uw grootvaders strijd?

,,Er is geen historische continuïteit: Atjeh heeft zich in 1945 vrijwillig aangesloten bij de Republiek. De GAM begint gewoon opnieuw. Maar in de geest is er wel degelijk een overeenkomst: wie ons mishandelt, kan op verzet rekenen''.

Was u erbij, vorige week maandag, bij de grote demonstratie?

,,Jazeker! Een buitengewone, spontane en oprechte uitdrukking van Atjehse gevoelens. En goed georganiseerd: geen geweld, geen provocaties, geen noemenswaardige ontsporingen''.

Denkt u dat deze massa nog wil onderhandelen over iets anders dan onafhankelijkheid?

,,Ik denk het wel. Atjehers zijn emotioneel. En vergeet u niet: Atjeh heeft op dit moment geen leiders met charisma. Maar dat vacuüm kan worden opgevuld. Er zijn wel degelijk Atjehers met kwaliteiten, integere en oprechte mensen, die nooit gecoöpteerd zijn door de Nieuwe Orde. Ze zijn er: ulama, bureaucraten, intellectuelen. Maar ze treden nog niet naar voren. Degenen die nu hun stem verheffen, zijn opportunisten. Dat zijn geen leiders, want ze hebben geen visie. In deze situatie houden de beste mensen zich op de achtergrond. De ware leiders willen niet beschouwd worden als helden die zich verslapen hebben. Iemand moet de Atjehers straks uitleggen waarom de internationale gemeenschap zo terughoudend is en de nieuwe regering in Jakarta niet voor de voeten wil lopen. Hoe moet dat als we straks plotseling onafhankelijk zijn en we er alleen voor staan?''

Wat vindt u van de verkiezing van president Abdurrahman Wahid?

,,Een hele opluchting. Ik denk dat hij beter dan alle anderen in staat is om de Atjehers te overreden bij Indonesië te blijven. De man is een humanist.''

Wat zou uw advies zijn aan Wahid?

,,Hij moet komen, en snel. Het is nog niet te laat. Hij moet gaan praten met alle partijen in Atjeh: met de ulama, met de referendum-beweging en ook met de GAM. En het recht moet snel zijn loop hebben, de militaire moordenaars moeten met spoed worden gestraft. En, al was het maar als medicijn, we moeten weer de beschikking krijgen over onze rijkdommen. Begrijpt u me goed: geen honderd kilo goud weegt op tegen het trauma van de verkrachtingen, de moord op kinderen. Maar daar stappen we overheen als de schuldigen worden gestraft. Als de Republiek deze daden stelt, ben ik voor een blijvende band met Indonesië. Want ik ben heel bezorgd dat als we onze onafhankelijkheid forceren, vervolgens onderling slaags raken. Dat er hier bij gebrek aan leiderschap een strijd om de macht ontbrandt''.

Blijft u zich inzetten voor Atjeh als het tóch onafhankelijk wordt?

,,Oh zeker. Dit is mijn land en het moet worden opgebouwd. Mijn familie heeft een morele band met Atjeh. Ik ga hier nooit meer weg.''

    • Dirk Vlasblom