Bladeren

Die Woche

De recente renteverhoging van de Europese Centrale Bank is overbodig. De maatregel lost in de Europese Unie geen enkel probleem op, maar zal de problemen die er zijn eerder vergroten. Zo zal de renteverhoging geen eind kunnen maken aan de zwakte van de euro in vergelijking met de dollar, het pond en de yen. Het verschil in inflatieniveau tussen randlanden als Ierland, Portugal en Spanje en een centrumland als Duitsland zal groter worden. Bovendien zal de kapitaalvlucht groeien gezien de rood-groene belastingplannen.

In feite, schrijft Wilhelm Hankel in Die Woche, neemt de ECB met de renteverhoging een voorschot op de resultaten van het economisch herstel in Duitsland en Italië en van de sanering van de financiën in alle lidstaten van de Europese Unie. De schrijver is hoogleraar monetaire politiek aan de Universiteit van Frankfurt. Hij verklaart zijn bewering met het argument dat een half procent renteverhoging de Duitse fiscus anderhalf miljard mark kost. Daarmee heeft de ECB de moeizaam gestopte gaten opnieuw geopend.

Wat heeft de ECB, en met name Duisenberg, bewogen? Volgens de auteur wil de ECB met de recente maatregel de eigen rol versterken. Dat is begrijpelijk omdat in het Verdrag van Maastricht is bepaald dat de ECB geen stemrecht heeft in de internationale monetaire politiek. De bank is in de vergaderingen van de G7 wel vertegenwoordigd met een waarnemer maar doet niet mee in de formele besluitvorming. Met andere woorden, het internationale monetaire beleid is een puur politieke aangelegenheid, want de ministers van nationale regeringen maken de dienst uit, samen met hun eigen centrale bankiers. De ECB is dus veel minder onafhankelijk en heeft veel minder prestige en invloed dan de vroegere Bundesbank.

Dat is volgens de auteur ook de reden waarom de euro zwak blijft, en waarom de beleggers de munt openlijk wantrouwen. Het conflict tussen de taak van de ECB en de uiteenlopende belangen van de lidstaten zal verder escaleren als de Europese commissarissen, ongehinderd door economische kennis, steeds meer staten uitnodigen zich te kandideren voor het lidmaatschap van een Europese Unie die toch al overbelast is.

Het weekblad Die Woche is verkrijgbaar in de kiosk.

www.woche.de

Fortune

Beleggers verwachten veel te veel van hun aandelen. Investeerders die hun ziel en zaligheid hebben verpand aan Internet en andere zegeningen van de elektronische markt konden wel eens van een koude kermis thuis komen, betoogt 's wereld bekendste investeerder, Warren Buffett, in Fortune.

Ter illustratie wijst hij op de geschiedenis van de auto-industrie. Bij het ontstaan ervan waren de verwachtingen net zo hoog gespannen als nu bij de opkomst van Internet. Die verwachtingen zijn ook uitgekomen voorzover de auto een enorme impact heeft gehad op het dagelijks leven. Maar van de toenmalige beleggers zijn er maar heel weinig rijk geworden, want van de tweeduizend autoproducenten die er ooit waren zijn er in de Verenigde Staten nog maar drie over. Een soortgelijk verhaal geldt voor de luchtvaartindustrie.

Het probleem is, meent Buffett, dat de doorsnee belegger de hardnekkige gewoonte heeft om in de achteruitkijkspiegel te kijken in plaats van door de voorruit. Hij ondersteunt zijn betoog met sprekende cijfers over de laatste vierendertig jaar. In de eerste helft daarvan steeg de Dow Jones-index niet of nauwelijks, te weten van 874 tot 875 terwijl het bruto binnenlands product in de VS vervijfvoudigde. Dat kwam doordat de rente op staatsobligaties in die periode voortdurend bleef stijgen, van vier procent in 1964 tot vijftien in 1981.

Die situatie veranderde pas toen de toenmalige voorzitter van de Federal Reserve Bank, Paul Volcker, er in slaagde met zijn maatregelen de inflatie te beteugelen. Het gevolg was dat de aandelenkoersen in de daaropvolgende zeventien jaar gigantisch stegen – de Dow ging van 875 naar 9181 – terwijl de groei van het bruto binnenlands product verminderde. Vandaag de dag zijn alle beleggers, zeker de nieuwere, in een rozige stemming, omdat ze hun verwachtingen baseren op wat er de afgelopen zeventien jaar is gebeurd. Uit recent onderzoek blijkt dat de minst ervaren beleggers de hoogste verwachtingen hebben en dat ze het komende decennium 22,6 procent winst denken te maken op wat ze hebben belegd. Ook de beleggers met meer dan twintig jaar ervaring blijven optimistisch en rekenen op een jaarlijkse winst van 12,9 procent.

Buffett betoogt dat dit niet kan, zelfs niet bij benadering. Want dan zouden de rentetarieven nog verder moeten dalen, en wel van zes tot drie procent. Een andere reden waarom Buffett veel minder optimistisch is dan de doorsnee belegger is zijn overweging dat de groei van het bruto binnenlands product echt niet hoger zal zijn dan vijf procent. En het is nu eenmaal onmogelijk om een jaarlijkse koerswinst van 12,9 procent te verwachten, laat staan 22,6 procent, als de groei van de winstgevendheid niet hoger is dan vijf procent.

Het staat als een paal boven water dat de waarde van een aandeel op de langere termijn nooit sneller kan groeien dan de winst van een onderneming. Wat volgens Buffett vaak wordt vergeten is dat de doorsnee belegger nooit meer uit een onderneming kan halen dan de onderneming verdient.

Natuurlijk denkt iedere belegger dat hij een uitzondering op de regel is en dat hij alleen maar de goede ondernemingen hoeft te selecteren. Dat klopt maar dan is het wel aan te bevelen om niet zozeer te letten op de betekenis die een industriële ontwikkeling als bijvoorbeeld de Internethandel heeft voor de samenleving. Ook heeft het weinig zin je af te vragen hoe snel een sector of een onderneming zal groeien. Het gaat er om dat je vaststelt of een onderneming een voorsprong heeft op de concurrentie en in hoeverre die voorsprong duurzaam is.

Fortune verschijnt elke veertien dagen en is verkrijgbaar in de kiosk.

www.fortune.com

    • Herman Frijlink