Een grotemensenbed

,,Ik ben nog niet groot, maar ook niet meer zo heel klein. Toch lig ik in een kinderbed, nou ja kinderbed, het is een ijzeren ledikantje met crèmekleurige, ijzeren krullen. Daar kun je je, als je niet oplet, behoorlijk zeer aan doen. Het is ook veel te krap, want ik kan mijn benen niet eens uitstrekken maar lig met opgetrokken knieën. De zijkant kun je openklappen door een ijzeren ringpalletje omhoog te duwen. Daar moet je ook mee oppassen dat je vinger er niet tussen komt.

Kortom, 't is een rotbed. Het kapokmatras stinkt in de verte nog naar pies. Meisjespies. Een nichtje bleef een keer bij ons slapen. Ik op de grond. Een vreselijk meisje. Zo'n stomme kop heb ik nu echt nog nooit eerder gezien. Witte sokjes en lakschoentjes aan, boven op die kop met pijpenkrullen, een zijden strik. Maar die heeft wel mijn hele matras ondergepiest. Moeder heeft het omgedraaid, dan ruik je er niks meer van zegt ze. Nou ik anders wel, boven de rooklucht uit die in het hele huis hangt omdat we bijna een schoorsteenbrand hebben gehad. Moeder had te veel petroleum op het aanmaakhout gegoten. Echt héél erg gevaarlijk. De vlammen sloegen dwars door de rook de kamer in. Het hele huis had wel kunnen afbranden, zei vader.

Als er vriendjes bij me boven komen spelen, wijs ik altijd het bed aan van mijn oudste broertje als mijn bed. Maar dat is ook een stinkerd en die heeft het natuurlijk verraden.

Wij wonen aan een kerkhof. Er worden geen mensen meer begraven. Vroeger wel. Rondom de kerk is een groot grasveld met bomen langs het kerkpad. 't Is bijna Sinterklaas en het stormt enorm in de hoge takken. Soms hoor je als je in je bed ligt hoe een dikke tak met veel gekraak afbreekt. Vader zegt dat er twee soorten sinterklazen bestaan, een voor de rijke kinderen en een voor de arme en de eerste gaat altijd stiekem en stilletjes ons huisje voorbij. Stel je voor dat Sinterklaas bij ons voor de deur zo'n zware tak op zijn hoofd zou krijgen, dan krijgt echt niemand meer wat.

Onder de graszoden om de kerk liggen ze nog wel hoor, de geraamtes van de doden die er vroeger werden begraven. Als er gespit moet worden komen er altijd botten tevoorschijn. Echte doodskoppen. De grote jongens schoppen er tegen aan, ze gaan er zelfs mee voetballen. Mijn broertje heeft er eentje mee naar huis genomen en toen er niemand thuis was in een pan op het gasstel uitgekookt. Ik vond hem eerlijk gezegd een beetje aan de kleine kant. Vader: ,,Stop dat kind ogenblikkelijk terug in de grond. `t Is een schande dat jullie geen respect hebben voor een meisje dat tweehonderd jaar geleden door verdrietige ouders voor ons huis ter aarde is besteld.'' Moeder keek hem vol verbazing aan.

,,Ja, daar kijken jullie van op, maar ik was tijdens de oorlog van 1914-'18 wel degelijk hospitaalsoldaat in de stelling van Den Helder. Je ziet toch met één oogopslag dat het hier om de schedel van een meisje van een jaar of tien gaat? Moet je die smalle naadjes op haar achterhoofdje eens bekijken, die was misschien nog helemaal geen tien, maar net zo'n hummeltje als onze Paul.

Zie je wel, hummeltje, daarom lig ik in dat rotbed.

Mijn broertje zegt dat als 'snachts de torenklok twaalf slaat de doden uit hun graven omhoog komen. Bij de eerste slag, en bij de laatste zijn ze weg. Dus wij een keer het dak op. Iedereen sliep al, zelfs op het platte dak, dwars door de kiezels heen, hoorden we het gestage gesnurk van onze vader. We waren eigenlijk te vroeg. In onze pyjama's 's nachts viel het behoorlijk tegen. In het donker konden we de wijzers van de kerkklok niet onderscheiden. Brrr, koud en eng. Wij maar wachten. En ja hoor, uit het uurwerk klonk geknars in de toren. Bang, de eerste slag. Ik kijk en kijk. Ik zie niks. Mijn broertje fluistert dat ze eerst door de grond naar boven moeten komen. Naar de oppervlakte, dat kost al gauw een slag of drie, vier. Wij tellen. We zijn al bij de zes, ,,kijk'', zegt mijn broertje, ,,kijk, kijk dan toch, twee tegelijk en verderop, daar en daar, nog twee''.

Ik kijk en kijk, ik wrijf mijn ogen uit, ik zie geen enkele dode. ,,Het zijn geen echte doden, het zijn meer slierten wasem, met van binnen vurige ogen'', zegt mijn broertje. Hoe ik me ook inspan ik zie echt helemaal niks. Nog één ferme slag uit de toren. Op. Over. Uit. Mijn broertje wijst op zijn hoofd en zegt dat ik niet goed snik ben en veel en veel te klein om geesten te zien. Beneden is het gesnurk opgehouden, dat kan ook niet anders want onder het dakraam staat vader ons op te wachten. We krijgen een flinke uitbrander, of het niet al erg genoeg was dat het hele huis bijna was afgebrand, straks krijgen we ook nog een flinke lekkage. ,,Naar bed!''

Ik geloof in God en ik geloof in Sinterklaas. Elke avond eer ik mijn bed instap ga ik op het koude zeil op mijn knieën liggen om te bidden. Altijd eerst bidden en dan pas je pyjamabroek aantrekken dan helpt het bidden beter. Sinterklaas is heilig, maar God is veel en veel heiliger en oppermachtig. Sinterklaas is eigenlijk niks vergeleken bij God. Ik ben slim en richt me meteen tot de machtigste: ,,Lieve God geef alstublieft de opdracht door aan Sint Nicolaas dat hij me geen onbruikbare tweedehands rotzooi geeft maar een bed. Een normaal, fatsoenlijk grotemensenbed en niet zo'n ijzeren rotkreng waar ik nu voor lig te bidden.''

Ik trek mijn pyjamabroek aan. Mag je eigenlijk wel tegen God zeggen wat Hij moet doen? Misschien heb ik nu alles verpest en gaat het hele bed niet door.

Niet door? Wat niet door. Hoe niet door. Natuurlijk niet door de schoorsteen. Precies. Hoe krijgt Sinterklaas in 's hemelsnaam ooit een grotemensenbed door onze schoorsteen? En als hij het toch zou proberen en er zou een vreselijke schoorsteenbrand van komen, dan zou ons hele huis afbranden door mijn schuld.

Ach, als ik nog wat schever ga liggen. Mijn knieën nog wat meer optrek, mijn hoofd meer tegen de zijkant bij de ijzeren krullen vandaan... Wie heeft er eigenlijk een ijzeren bed met een zijkant die je zomaar zelf kunt openklappen?

,,Lieve God, zeg maar tegen Sinterklaas dat ik er geheel van afzie van dat grotemensenbed. Amen.''

    • Jean-Paul Franssens