Duitse stagnatie is voorbij

Er is een einde gekomen aan de stagnatie, verzekert Hilmar Kopper, ex-topman van Deutsche Bank. Hij ziet sterk groeiende buiten- landse investeringen, 3 procent economische groei en lagere werkloosheid.

Hilmar Kopper, voormalig topbankier bij Deutsche Bank in Frankfurt, verwacht een `omslag' in Duitsland. Jarenlang zagen buitenlandse investeerders geen toekomst meer in de Duitse economie. Hoge loonkosten en belastingen en veel bureaucratie waren grote obstakels om in Duitsland te investeren. Nu is aan de langdurige stagnatie een eind gekomen. ,,Er is sprake van een kentering. De nieuwe rood-groene regering van Gerhard Schröder heeft een stap in de goede richting gezet. We moedigen het kabinet aan door te gaan'', zegt Kopper.

Hij begon als jongste bediende bij Deutsche Bank in Frankfurt en zat 27 jaar in het bestuur van het grootste geldinstituut van Duitsland, waarvan de laatste zeven als voorzitter. Twee jaar geleden gaf Kopper met 62 jaar het roer over aan Rolf Breuer; als toezichthouder houdt hij nog een oogje in het zeil. Nu verkoopt Hilmar Kopper een ander product: Duitsland. Ich mache Stimmung, zegt Kopper in een gesprek met de buitenlandse pers in Berlijn. Hij wil het imago van Duitsland verbeteren.

Bijna zes jaar lang investeerde het buitenland nauwelijks meer in Duitsland. Pas in 1998 begonnen de directe investeringen weer aan te trekken. In totaal is toen voor 35 miljard mark in Duitsland geïnvesteerd. In de eerste helft van 1999 hebben buitenlandse bedrijven al meer dan 40 miljard in het land gestoken.

,,Er is sprake van een Trendwende'', zegt Kopper. Hij is blij dat het kabinet-Schröder met minister Hans Eichel op Financiën de weg is ingeslagen van structurele belastingverlaging èn van vermindering van de hoge overheidsuitgaven.

Direct nadat de rood-groene regering in september 1998 was gekozen, sloeg ondernemers de schrik om het hart toen voormalig minister Oskar Lafontaine (Financiën) neo-Keynesiaanse recepten verkondigde om de groei op te jagen. Het bedrijfsleven moest de belastingverlaging voor de kleine man betalen. Ook Lafontaines oproep tot loonstijgingen en zijn aanval op de stabiliteitspolitiek van de Bundesbank wekten bij het bedrijfsleven weinig vertrouwen in de economische koers van het nieuwe kabinet.

Toen ondernemers het regeringsbeleid bekritiseerden, ontstond plotseling een debat over de te grote macht van het bedrijfsleven, zegt Kopper. Iedereen is over de ondernemers heen gevallen. Ze zouden `onverantwoordelijk' en `kortzichtig' zijn. ,,Maar waarom zouden we moeten zwijgen? We scheppen werk, we betalen belastingen. Dat geeft ons toch alle recht iets te laten horen'', zegt Kopper. Helaas zijn er nog veel taboes in Duitsland, meent hij. De political correctness benauwt hem.

Het ontbreekt aan een open discussie over de werkelijke problemen. Kopper signaleert een grote `kritiekvrije zone' die niet overschreden mag worden. Hij verwijst naar het Bündnis für Arbeit, de gespreksronde van de regering met werkgevers en werknemers om meer banen te scheppen. Nog voor de partijen aan tafel kwamen, zei de vakbeweging: we komen, maar we praten niet over lonen. Dat is geen dialoog, meent Kopper. Het is net alsof je over de benzine-accijns praat en niet over de prijs mag spreken. Over het resultaat van de gespreksrondes is hij sceptisch.

Optimistischer is Kopper over de Duitse economie. Per 2001 daalt de vennootschapsbelasting structureel van 45 naar 35 procent. ,,Duitsland is nog lang geen belastingoase'', zegt Kopper, die met de lage Britse tarieven dweept. Maar het gaat de goede kant op. De totale belastingdruk voor ondernemingen bedroeg enkele jaren geleden nog 67 procent. De vorige regering had al de vermogensbelasting afgeschaft en een extra gemeentelijke belasting.

Kopper verwacht dat de economie komend jaar 3 procent zal groeien en de werkloosheid onder de 10 procent zal dalen. ,,Als deze regering het aandurft het sociale stelsel te hervormen, is dat een grote sprong voorwaarts.''

    • Michèle de Waard