Atoombom op een nachtkastje

Volgens de organisatie is De Wintertuin het grootste literaire festival van Nederland. Zaterdag trad in Nijmegen een keur van oude en jonge dichters op.

De gitarist bewerkt zijn snaren met een kaasschaaf. De bassist plukt de allerlaagste noten. De zanger kermt in de microfoon: `Dà/ Domb/ Dusch/ Hé-/ Romm/ mm mm'. Met Palinckx en Palinkx' woeste vertolking van dadaïstische gedichten uit de jaren twintig, onder meer van I.K. Bonset (ook bekend als Theo van Doesburg), opende zaterdagavond `100 jaar gedicht', in het Nijmeegse O42. Het was de drukbezochte tweede avond van het literatuurfestival De Wintertuin, dat zichzelf het grootste van Nederland noemt. En misschien terecht, want het festival, dat nu vijf jaar bestaat, vindt plaats op verschillende locaties in Arnhem en Nijmegen en duurt tot en met zaterdag. In een week zullen hondervijftig dichters, schrijvers en vertalers voorlezen, discussiëren en geïnterviewd worden.

Na de dadaïstische explosie verscheen als eerste Simon Vinkenoog achter de katheder, de verpersoonlijking van de Nederlandse orale poëzie. Zonder zijn enthousiaste voordracht was het merendeel van zijn gedichten waarschijnlijk slecht te verteren geweest, met hun gedateerde retoriek. `Zoveel vreugde om een omhelzing/ Zoveel liefde om die ene zoen/ Zoveel onheil te bezweren...', en zo ging het nog een tijdje door. Hoe groot was het contrast toen daarna Remco Campert zeer kalm zijn gedichten las, waar geen woord te veel bij was. `Voor blowers', een gedicht `aan Simon', besloot met de fijne regels `De wereld swingt als de pest/ de rest is gemompel van bedelaars'.

In de kleinere bovenzaal werden de dichters geïntroduceerd door Gummbah, de `vieze tekenaar', zoals hij zichzelf noemde, van de Volkskrant. Gummbah vertelde dat toen er een atoombom van zijn nachtkastje viel en ontplofte, zijn dichtende buurman Tonnus Oosterhoff hem boos opbelde. ,,Ik verontschuldigde mij zo uitvoerig dat hij de volgende weken niet meer aan schrijven toekwam.'' Op deze introductie sloot de soms droogkomische poëzie van Oosterhoff mooi aan. Uit zijn laatste bundel (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum las hij een gedicht dat scènes uit een hotelverblijf schetst: `Twee heren in lamswollen vesten/ roeren en roeren en roeren./ Zou je ze niet?' Even later was de stem van Oosterhoff opnieuw te horen in een andere zaal; het was een bandopname, mooi muzikaal begeleid door de groep van Tom America, die ook `Tjielp tjielp', Jan Hanlo's ode aan de mus, vertolkte.

Laat op de avond kwam de jongste generatie aan bod; dichters als Ruben van Gogh, Ilja Leonard Pfeijffer en Hagar Peeters, die, hoe vaak ze door de bladen ook als groep geportretteerd worden, te weinig gemeen hebben om een echte dichtersgroep te zijn. Een goed voorbeeld van een dichter, die weinig lijkt te hebben met de generatie waartoe hij wordt gerekend, is Menno Wigman. Hij heeft zich, na bestudering en imitatie van laat-romantici als Baudelaire, ontwikkeld tot een dichter die in klassieke vormen de grote vermoeienis aan het einde van de eeuw verwoordt. Aardig genoeg nam Wigman het in `Jeunesse dorée' op voor de `grootste geesten' van zijn generatie, al was het niet duidelijk of hij daarmee doelde op de collega's die achter hem in het rokerige café hun beurt afwachtten: `Ik zag ze lijden aan een ongevraagd talent/ en spreken met gejaagde stem:-/ was alles al gezegd, nog niet door hen.'

De Wintertuin, t/m 20 november in Arnhem en Nijmegen. Met o.a. zeven lezingen van zeven auteurs over de thema's in het werk van Jorge Luis Borges; dinsdag een avond verzorgd door het tijdschrift Hard Gras; vrijdag een Johnny van Doorn Memorial; zaterdag het slotfeest in het teken van de Vlaamse literatuur. Inl. (024) 323 19 04 of www.wintertuin.nl

    • Martijn Meijer