Adelmund moet niet huilen maar leidinggeven

De tranen die staatssecretaris Adelmund vorige week in de Tweede Kamer vergoot over de problemen van allochtone jongeren in het onderwijs zijn hypocriet, meent Ton van Haperen. De maatregelen die zij voorstaat zijn slechts een druppel op een gloeiende plaat en zullen de crisissituatie in het onderwijs niet verlichten.

Het gebeurde tijdens de behandeling van de onderwijsbegroting. Er werd gedebatteerd over problemen van allochtone jongeren: hun maatschappelijke inpassing via het gereguleerde onderwijs verloopt niet helemaal zoals verwacht. Op de basisschool ontstaan de eerste achterstanden, waardoor allochtone kinderen vaak niet op het schooltype belanden waar ze gezien hun – vaak helaas verborgen – kwaliteiten passen. In het verlengde hiervan zijn hun studieresultaten slecht, is er veel uitval en is het werkklimaat op zogenaamde zwarte scholen beroerd. Vooral hier doet het lerarentekort pijn. De neerwaartse spiraal lijkt blijvend te zijn ingezet.

Juist probleemscholen hebben behoefte aan gemotiveerd en gekwalificeerd personeel. Komt dat er niet, dan wordt het van kwaad tot erger. Want in een omgeving van verval stijgt het aantal drop-outs. Bovendien ervaren leraren die het wel naar hun zin hebben een toename van de werkdruk en kunnen zij niet anders doen dan ook vertrekken.

Staatssecretaris Adelmund vindt echter dat er in deze poel van ellende ook veel goede dingen gebeuren en toonde vorige week haar verontwaardiging over het negativisme op emotionele wijze. Het was het enige nieuwsfeit dat het NOS-Journaal haalde. Een dag later werd een maatregel afgesproken: er komt 20 miljoen gulden voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van leraren op zwarte scholen. Het was een bericht dat de landelijke dagbladen haalde, waarna de verslaggeving over dit onderwerp echter ophield.

De zwarte scholen worden het eerst met het lerarentekort geconfronteerd, de rest is daarna aan de beurt. Extra beloning voor leraren op zwarte scholen is dan ook geen goede maatregel. Daar komt bij dat het geld niet terechtkomt waar het hoort: bij de leerlingen.

De enige remedie voor de genoemde misère is de verhoging van het rendement door extra onderwijsaandacht in de vorm van kleinere groepen en ruimte voor extra begeleiding. Allemaal zaken waar al regelingen voor bestaan. Het kan zijn dat die verkeerd of te zuinig worden uitgevoerd, maar dan dient daar wel iets te veranderen. Als onderwijs een succes is komen de leraren namelijk vanzelf. Politici weigeren dat echter in te zien en bekijken de problemen geïsoleerd. Ze blussen een brandje, waarna het vuur ergens anders weer oplaait. Het grote geheel laten ze voor wat het is.

Natuurlijk, allochtone kinderen hebben het in de huidige context moeilijk, maar voor alle schoolgaande kinderen geldt dat ze een beroepsgroep in verwarring aantreffen. Het is eveneens juist dat er een betere beloning voor leraren moet komen. De geëiste loonstijging van 4 procent is gezien de opgelopen achterstanden en tekorten volkomen terecht. Maar die 4 procent zullen net zo min als die 20 miljoen ook maar één student over de streep trekken. Het gaat namelijk ergens anders fout.

Het zijn de krachteloosheid en de vermoeidheid die afstoten, twee zaken die hun oorzaak vinden in een toenemende werkdruk en een onduidelijke schoolcultuur. De eerste is inmiddels genoegzaam bekend. Overheidspersoneel dat werkt met mensen heeft als gevolg van de bezuinigingen en de introductie van marktprincipes een enorme toename van arbeidsproductiviteit verworven.

De keerzijde van steeds harder werken is echter uitputting. En in het onderwijs komt daar iets bij. Leraren zijn van origine vooral vakleerkrachten, het is de liefde voor het vak die hun beroepskeuze bepaald heeft. De docent verwerft zijn respect door in de klas moeilijke dingen te doen die zijn leerlingen nog niet begrijpen; hij weet iets wat zij niet weten. Hun relatie krijgt hierdoor iets onvermijdelijks, de groep heeft de eenling nodig en vice versa. Door een deal te sluiten ontstaat een werksfeer. De leraar praat, zij houden hun mond, want anders missen ze iets elementairs. Groepsregels die dit gedrag afdwingen zijn legitiem en daar is met de onderwijsvernieuwing van de laatste jaren de klad in gekomen.

Individualisering van het leertraject en het accentueren van zelfstandigheid betekenen het einde van klassikaal onderwijs met de bijbehorende redelijkheid van regels. Waarom moet een leerling in een klaslokaal zitten als hij thuis rustiger kan werken? Wat is de zin van een beknellend rooster met elk uur een zoemer? Waarom moet een adolescent een jaar overdoen als hij voor een aantal vakken wel een voldoende heeft? Dit alles zet de regulering van het gedrag op de helling. Bovendien is de lesinhoud wezenlijk veranderd. Aansluiten bij het eerder geleerde en belevingswereld, leerlingen die leren van elkaar, vakkenintegratie en explicitering van het belang van vaardigheden worden belangrijker geacht dan hetgeen waarin de traditionele leraar goed is: vakkennis.

Al deze ontwikkelingen zijn een vooruitgang, onder voorwaarde dat ze goed kunnen worden uitgevoerd. Dat is dus niet zo, alles moet tegelijk, door elkaar. Onbegrip is het resultaat. De leraar raakt in de war. Wat moet hij elk uur met die dertig leerlingen? Welke graad van rumoer is acceptabel bij het zelfstandig werken? Als hij die ene leerling bijwerkt, hoe houdt hij dan die anderen aan de gang? Mag hij nou niks moeilijks meer vertellen over zijn vak? En dan die vaardigheden, die spreken toch voor zich? Hoe brengt hij die bij? Dit lijken eenvoudig te beantwoorden vragen, maar zijn het niet. Een strategie is niet meegeleverd, die wordt, geheel binnen het decentrale gedachtegoed, door scholen zelf ontwikkeld. Het ontbreekt in het onderwijs aan richting, de ultieme reden voor mensen met kwaliteiten om er met de rug naartoe te gaan staan.

In tijden van onduidelijkheid geldt het recht van sterkste. De aandacht voor het lot van allochtone jongeren is dan ook op zijn plaats, maar het zijn niet alleen zij die er op deze manier aan onderdoor gaan. Andere groepen zijn misschien minder herkenbaar, maar een onderzoek naar de vorderingen van bijvoorbeeld autochtone jongens uit lage milieus zou wel eens hele enge cijfers naar boven kunnen halen.

Onderwijs is een grote post op de Rijksbegroting. Een uitgave van 43 miljard gulden mag er zijn, maar dit geld wordt uitgegeven aan een beleidsterrein dat verkeert in een fase van chaos en anarchie. Er is dan ook een schreeuw om realistisch en doortastend leiderschap dat de ingezette vernieuwingen met kennis van zaken begeleidt, want dat is waar het aan ontbreekt.

Het Journaalfragment waarin staatssecretaris Adelmund het te kwaad kreeg, is verhullend en misleidend. De staatssecretaris zei ,,eerst de WAO en nu de allochtonen'', een uitspraak waarmee ze haar gezicht redde. De nieuwslezer pikte de boodschap keurig op en stelde: ,,dit heet waarschijnlijk betrokkenheid''. Hij deed hiermee een oppervlakkige observatie. Tonen van emotie als uiting van onmacht en compassie, daar is niks mis mee. Het kan medeleven oproepen en aanzetten tot actie, maar daarvan was geen sprake.

Adelmund heeft zich een beleidsterrein in haar schoenen laten schuiven waarvan ze weinig tot niks van weet. Ze heeft schoolgaande kinderen en ambtenaren, daar stopt haar kennis. Ze geeft echter wel politieke leiding aan een sector die zich in de grootste crisis van de laatste vijftig jaar bevindt. Een passagier aan het roer van een schip in zwaar water geeft enkel gevoelens van onbehagen. Het waren dan ook geen tranen van betrokkenheid, maar van onzekerheid.

Ton van Haperen is leraar economie in het voortgezet onderwijs.

    • Ton van Haperen