Adams geeft lesje in muziekhistorie

Na de oliecrisis in de jaren '70 raakte alles in een stroomversnelling. Het vooruitgangsideaal en geloof in eigen kracht maakte plaats voor het postmodernisme dat nu definitief doorbrak. Paradise Lost heette een opera van Penderecki vol citaten van Bach en Wagner. Teksten over eenzaamheid en zwijgen verwerkte Rihm in zijn Derde symfonie, topzwaar van Mahler en Berg. Kortom, zich gedragen als Adam in het paradijs zonder voorgangers, lukt componisten slechts moeizaam.

Maar zo bont als John Adams het maakt, gehoord zijn Naive and Sentimental Music in de serie Avontuur en Avant-garde bij het Concertgebouworkest, gaat wel heel ver. Noch met avontuur noch met avant-garde heeft deze vijftig minuten durende muziekgeschiedenisles van doen. Men beluistert Duke Ellington, Steve Reich en Copland, Stravinsky's piccoloschreeuw uit de Danse sacrale uit Le sacre du printemps, Skrjabins pronkende trompet uit Promethée en niet te vergeten de handenwringende tragiek van Mahler en Schönberg.

Het eerste deel `Essay on melody' heeft een thema dat als een kind de wijde wereld intrekt, begeleid door harpen en gitaar. Een zekere kiesheid frappeert aanvankelijk, maar helaas zet dat kind al gauw een keel op. Gelukkig brengt het langzame deel, geïnspireerd door Busoni's Berceuse élégiaque, enige rust: muziek als ragfijne tafzij. Het derde deel `Chain to the rhythm' is dan weer zo'n slordige greep uit Adams knutselkist. De tragiek is gespeeld, geen componist is zo olieglad als Adams. Het speelse gaat hem goed af, hij beheerst het handwerk, kan instrumenteren, maar wil meer en vervalt dan in een pathetische humbug. Het Concertgebouworkest gaf de twee eerste delen goed reliëf maar liet steken vallen in het derde deel.

Soortgelijke opmerkingen vielen te maken bij Toby Twinings woensdag in Amsterdam uitgevoerde Chrysalid requiem, gecomponeerd in opdracht van het Festival Nieuwe Spirituele Muziek. Het slot-Offertorium weet enigszins te boeien, maar voordien zwalkt de muziek en wil er maar geen synthese ontstaan tussen de luxueuze, enigszins aan Hollywood herinnerende samenklanken en het Aziatische boventoonzingen. Het is muziek bij een spektakel over Mongoolse ruiters jagend in de straten van L.A.. Nu werkte de techniek ook niet mee. Een onwillige computer behoorde signalen te sturen om via koptelefoons de lastige intervallen te bedwingen, die dus nauwelijks werden overmeesterd.

Perfect was wel het pianospel van Boulez-specialist Pierre Laurent Aimard, zaterdagmiddag in de Grote Zaal van het Concertgebouw, een ruimte waar ik zelden zulke verfijnde schakeringen in het pianissimo hoorde: klanken als van teergekleurd papiergeritsel, al was er ook niets mis met het fortissimo gesnater en geratel. Dat laatste vormde het onderwerp van Sir Harrison Birtwistle's vijfdelige cyclus Harrison's clocks (1998). De delen werden om en om afgewisseld met korte werken van Carter, Messiaen, Bartók en Ravel, soms zelfs aaneengesmeed — een probleem voor de radio-uitzending.

Het is muziek als een snorrende motor met vooral de delen twee en vijf als razend virtuoze perpetuum mobile-speeltjes. De geoliede stijl is voor de doorgaans stugge Birtwistle vrij verbazingwekkend. Helaas: wel veel noten, maar met weinig muzikaal rendement. Dan weet Ligeti veel meer te boeien in zijn tot slot gespeelde étude l'Escalier du diable nr. 13 (1988-1994): muziek als van bewegende vuurgeesten – wát crisis in de muziek?

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Esa-Pekka Salonen. Werken van Adams e.a.. Gehoord: 11/11 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.

Pierre Laurent Aimard (piano). Werken van Birtwistle e.a.. Gehoord: 13/11 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4 17/11 20.02 uur.

    • Ernst Vermeulen