Wadvogels in de knel

Ecologische Atlas van de Nederlandse Wadvogels. 368 pag, rijk geïllustreerd. Uitg. Schuyt & Co, prijs ƒ98,50, ISBN 90 6097 509 x.

Als de NAM straks Waddengas mag winnen, gaan de groenpootruiters in de Waddenzee er ongetwijfeld op vooruit. Deze grijsgroene steltlopers, die in de Siberische taigabossen broeden, trekken in het najaar in groten getale naar de Waddenzee. Daar moeten ze het vooral hebben van zandige wadplaten, die bij eb maar kort droogvallen. Haastig stappen ze rond op hun opmerkelijk hoge poten en maaien driftig met hun snavels over de bodem op zoek naar wormen, insecten en andere klein grut. Vaak ook zie je groepjes groenpootruiters door ondiep water waden om samen op visjes en garnalen te jagen.

Maar deze langbenige steltloper is een uitzondering. Want de wulp en de scholekster, de zwarte ruiter en de rosse grutto, de bontbekplevier en de zilverplevier en al die andere gevederde Wadbewoners gaan er bij gaswinning juist op achteruit. Want zij moeten het voor hun voedselvoorziening hebben van wadplaten die zo lang mogelijk droogvallen. Verondersteld mag worden, dat verlies aan biotoop recht evenredig is met verlies van aantallen vogels. Als de bodem in de Waddenzee door de gaswinning met 5 centimeter daalt, wordt voor de meeste vogelsoorten een aantalsafname verwacht. Dat staat in de Ecologische Atlas van de Nederlandse Wadvogels, vorige week aangeboden aan milieuminister Pronk.

Volgens de auteurs - toponderzoekers op hun vakgebied - zou zo'n afname nauwelijks opvallen, omdat het aantal wadvogels jaarlijks met tientallen procenten varieert, onder meer door strenge of zachte winters. De schrijvers zijn meer bezorgd over de zeespiegelstijging van naar schatting 20 centimeter per eeuw. Daardoor verdwijnt steeds meer getijdengebied onder water. Weliswaar zijn zeespiegelrijzingen en -dalingen niets nieuws, tijdens de laatste IJstijd lag de Noordzeebodem zelfs zestig meter lager dan nu. Als de zeespiegel daarna weer steeg, schoof het getijdengebied landinwaarts op. Maar daar liggen nu Deltadijken. Als het klimaat warmer wordt, zal bovendien de Arctische toendra inkrimpen, zodat steltlopers hun broedgebieden verliezen.

De Waddenzee, een van de allergrootste getijdengebieden ter wereld, ligt strategisch op een kruispunt van vogeltrekroutes. Miljoenen steltlopers en andere watervogels komen hier onderweg `bijtanken', andere soorten vertoeven er bijna jaar rond. Natuurfotograaf Jan van de Kam bracht duizenden uren in schuilhutten door om het alledaagse leven van de vogels vast te leggen, pootjebadend aan de oever van een mangrovewoud in Guinee Bissau, of verscholen in hun nesten op de bruinbemoste toendra.

De mooiste van die foto's zijn nu bijeengebracht in de Ecologische Atlas van de Nederlandse Wadvogels. Dit is het vierde van een serie prachtboeken, na eerdere delen over vlinders, weide- en roofvogels. De tekst gaat vooral over de lotgevallen van de individuele vogel en biedt een stortvloed van informatie over zijn voedselbehoefte en tijdbesteding, energiehuishouding en vliegtechniek. De opsporingstechnieken die verschillende vogelsoorten hanteren om hun in het natte zand verstopte prooien zo efficiënt mogelijk naar binnen te schrokken worden tot op de seconde nauwkeurig vergeleken. Er wordt verslag uitgebracht van experimenten om de graasdruk op het wad vast te stellen door `proefveldjes' af te zetten met gaas, en van vliegprestatieproeven in windtunnels. High speed camera's leggen het spectaculaire driedimensionale formatievliegen van vogelzwermen vast. De `wave', die door enkele vogels wordt ingezet, wordt van buur naar buur binnen 15 milliseconden overgenomen, zo'n acht maal sneller dan in een voetbalstadion.

Hoe prachtig vormgegeven ook, toch is dit meer een studieboek dan een smakelijk leesboek. Op den duur gaat al die waardenvrije wetenschap lichtelijk irriteren. Pas op de laaste tien pagina's van deze turf komen de problemen die de Waddenzee zo vaak in het nieuws brengen ter sprake, zoals watervervuiling en recreatiedruk, militaire vliegoefeningen, zand- en gaswinning en de industriële schelpdiervisserij.

Zo'n tien jaar geleden zijn de laatste mosselbanken uit de Waddenzee weggevist. Mosselbanken zijn een karakteristiek biotoop, tussen de aan elkaar gekitte mosselen leven krabbetjes en tal van andere kleine beestjes. Rond een oude mosselbank zitten ontzettend veel vogels. Eind jaren zeventig lagen er nog 4.100 hectare droogvallende mosselbanken in de Waddenzee, nu nog hooguit enkele honderden hectaren. Herstel blijft uit. Jonge mosselbanken groeien nauwelijks aan en spoelen bij de eerste najaarsstormen weg. Bij gebrek aan mossels en kokkels lijden scholeksters de laatste jaren honger. Vooral jonge scholeksters sterven de hongerdood.Daarom is sinds 1993 een ander visserijbeleid ingezet, waarbij in schrale jaren meer schelpdieren voor de vogels worden gereserveerd. Of dat geholpen heeft valt volgens de schrijvers nog niet te zeggen.

Intussen wordt door de mechanische kokkelvisserij de wadbodem systematisch omgeploegd. Kokkels en mossels zijn organismen die door het uitscheiden van zogenoemde pseudofaeces zorgen voor een slibrijk sediment. Als zij massaal verdwijnen, komt een kettingreactie op gang, waarbij zich steeds minder slibbindende organismen op het wad vestigen. Als de luwte die kokkel- en mosselbanken boden wegvalt, ontstaan ook steeds hogere stroomsnelheden en wordt steeds minder slib vastgehouden. Het eindresultaat is een kale, zandige, voedselarme wadvlakte. Dit bleek vorig najaar uit onderzoek van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) rond Griend. Als deze zienswijze klopt, zijn natuurbehoud en mechanische kokkelvisserij op het wad niet langer samen te verdedigen.

    • Marion de Boo