Verwende haas of eigen baas

Een lezer uit Zutphen is boos op de politiek en het pensioenfonds van zijn werkgever. In de jaren tachtig werkte hij bij een ander bedrijf en bouwde daar bijna vijf pensioenjaren op. Bij de verandering van baan kon hij die rechten niet meenemen naar het nieuwe pensioenfonds, omdat waardeoverdracht toen geen wijdverbreid fenomeen was.

Sinds juli 1994 bestaat er een wettelijk recht op overdracht, bedoeld om het leed van mensen die van baan wisselen – pensioenbreukelingen – te verzachten. De pensioenrechten van vóór juli 1994 vallen niet onder die wet, maar er zijn wel fondsen die meewerken aan een overdracht met terugwerkende kracht.

Daarom mag de briefschrijver de oude vijf jaren alsnog inbrengen bij het fonds, die zijn rechten helaas waardeert op slechts een jaar. `Dat steekt schril af bij de door de politiek gewekte verwachtingen als zou het wettelijk recht op overdracht een medicijn tegen pensioenbreuk zijn', moppert de Zutphenaar.

Er zijn meer lezers die zo reageren. Veel van de boosheid berust op een gebrek aan inzicht in het mechanisme van een pensioenfonds. Het is een instelling van werkgevers en werknemers die solidair zijn om de rechten van deelnemers te garanderen, in tegenstelling tot de verzekerden van een verzekeraars. Zo betalen vele `achterblijvers' in een bedrijf mee aan de gestaag oplopende pensioenkosten van enkele snelle carrièremakers. Eigenlijk moeten die hazen dus heel beleefd en dankbaar zijn tegen hun sponsors, in plaats van andersom.

De man uit Zutphen lijkt een haasachtig type. Zijn salaris is sinds midden jaren tachtig flink gestegen. Door de vijf pensioenjaren uit die tijd om te willen ruilen voor (ongeveer) vijf pensioenjaren in de huidige regeling, wordt zijn ouderdomspensioen opgetrokken alsof hij in die jaren evenveel verdiende als nu. De achterblijvers moeten dan solidair zijn voor een periode dat hij nog niet eens bij hun bedrijf werkte. Dat kan niet, althans niet volgens de regels. Zoiets kan je wel proberen te bedingen bij een sollicitatie, maar daar denken veel sollicitanten niet aan.

Waardeoverdracht is geen altijd werkend geneesmiddel tegen pensioenbreuken. Soms is het zelfs beter om je (goede) oude pensioenregeling niet mee te nemen naar een nieuwe, slechtere. Wie dit onderwerp eens wil bestuderen, leze de Persoonlijke Pensioenplanner van de Consumentenbond; te koop in de boekhandel. Alleen de betrokken pensioenfondsen kennen de details en spelregels die er toe doen, en zullen die op verzoek graag verstrekken.

Een breukeling die twijfelt aan een waardeberekening, moet zijn fonds om een specificatie vragen en die desgewenst ter controle voorleggen aan bijvoorbeeld een pensioenadviseur.

Wie niet deelneemt in een royale pensioenregeling en zelf voor zijn oude dag moet zorgen, stuit op allerlei onzekerheden. Op hoeveel bruto pensioen moet je mikken? Hoe hoog zal de inflatie in de toekomst zijn? En de inkomsten- en vermogensbelasting? Van hoeveel geld kan je goed leven? Met andere woorden: wat heb je netto nodig. Niemand weet het, en al helemaal niet wanneer je naar een ander land verhuist. Het heeft daarom weinig zin om de inflatie, zeg 2 of 3 procent, er uit te pikken en die als zekere factor aan te nemen. Je kan je oudedagspotje beter beleggen in waarden die de inflatie ongeveer volgen – huizen, aandelen, bedrijven – dan ben je van die zorg af.

Een gehuwde vijftiger is eigen baas in pensioenzaken, de tegenvoeter van die verwende haas. Door een onregelmatig arbeidsverleden bouwde hij amper een ouderdomspensioen op. Sinds kort is het tij gekeerd en denkt hij serieus aan zijn oude dag: `Moet ik als freelancer snel een flink pensioen opbouwen, of is een vast dienstverband met een mogelijk lager pensioen verstandiger? Hoeveel moet ik van mijn freelanceverdiensten opzij leggen voor later?'

Hiervoor is al uiteengezet dat een baan met een mooie pensioenregeling niet te versmaden is, naast de werknemersverzekeringen en andere voordelen. De keus is dus niet zo moeilijk. Het pensioen, in vijftien jaar op te bouwen, is afgeleid van het salaris en de AOW. Daar hoeft hij niet over na te denken. Maar of dat straks voldoende is, bepaalt hijzelf. Niemand anders kan dat.

Een aanvullend pensioen in eigen beheer kan hij opbouwen door de inleg van de spaarregeling – in IB2001 maximaal 1.500 gulden – automatisch over te laten maken naar een wereldwijd beleggingsfonds in aandelen. Na vijftien jaar, tegen bijvoorbeeld netto 8 procent, zit er bijna 45 duizend gulden in de pot. Die waarde valt onder de nieuwe box 3, heffing 1,2 procent. Deze pot mag hij vrij van inkomstenbelasting leegmaken. Als dat niet voldoende is, legt hij per maand gewoon meer opzij.

    • Adriaan Hiele