Vermist

's Avonds toen ik naar bed wilde drong het tot me door dat Bontje er niet was. In de keuken stond haar etensbakje vrijwel onaangeroerd.

Onze vier maanden oude poes had in de twee maanden dat ze nu bij ons woonde vaste gewoonten ontwikkeld. Zo sliep ze 's nachts – ze had een beschaafd dag- en nachtritme – bij voorkeur op één bepaalde stoel; naar de voor haar bestemde mand keek ze niet om. Nu was ze echter nergens te bekennen. Was ze misschien nog buiten? Ze bleef altijd dicht bij huis en spurtte naar je toe als ze haar naam hoorde. Ditmaal had het roepen geen effect.

De opluchting over het feit dat ze evenmin levenloos op straat lag maakte plaats voor toenemende ongerustheid. Visioenen van Bontje – verdwaald, ingesloten, door een onverlaat meegenomen – deden de nachtelijke uren voorbij kruipen. Wat onvergeeflijk stom dat ze geen naambandje droeg.

Een zoektocht de volgende ochtend leverde niets op, niemand had haar gezien. Eén buurvrouw uitgezonderd. Zij kwam pas 's middags thuis en vertelde dat de poes de vorige avond een stuk was meegelopen met haar echtgenoot, na een poosje had hij haar uit het oog verloren. Dat had ze nooit eerder gedaan, maar onvoorstelbaar was het niet: ze was jong en naïef en sterk op mensen gericht. In het nest kwam zij altijd als eerste op stramme pootjes naar je toe gewankeld. Mede als gevolg van die aanhankelijkheid dwaalde ze nu door haar onbekende straten.

Op de fiets door de wijk, speurend naar onze zwart-witte huisgenoot. Er bleken opmerkelijk veel exemplaren van rond te lopen, de aanblik veroorzaakte telkens een kleine schok. Bij iedere lantaarnpaal op de hoek hielden we stil, briefjes werden over oude resten plakband geplakt. De inderhaast gemaakte oproep uit te kijken naar ons vermiste huisdier toonde haar gekopieerde foto – de afdruk was donker maar herkenbaar.

Laat in de middag – waarom hadden we daar niet eerder aan gedacht? – schakelden we Amivedi in, de opsporingsdienst die vermiste en gevonden dieren registreert. De reactie van de medewerker aan de telefoon was een verrassing. De vorige avond zei hij, hadden ze melding gekregen van een jong poesje dat bij de Chinees rondzwierf, een paar huizenblokken verder. Een mevrouw had haar daar gevonden en meegenomen. Mogelijk had zij het dier naar het asiel gebracht. Om uitsluitsel te krijgen moest ik haar opbellen.

De vrouw bevestigde het verhaal. De poes, zwart-wit, zat bij de Chinees voor de deur en was haar tot drie keer toe naar binnen gevolgd. Wilde een van de klanten soms een poes, had ze nog gekscherend gevraagd. Ten slotte had ze het dier zelf onder haar jas meegenomen – ze durfde het daar niet achter te laten. Dit tot woede van haar man: hoe kon ze dat nu doen, hij had toch duiven? Er waren bovendien twee honden, de poes had de nacht daarom doorgebracht in een afgesloten kamer, met een bakje hondenbrokken. Deze middag had ze haar bij het asiel afgegeven, het ging haar aan het hart, maar wat moest ze anders?

Het asiel was inmiddels gesloten, pas de volgende morgen kon ik er terecht. Er waren de vorige dag twee katjes gebracht, vertelde de medewerkster, als ik even meeliep kon ik zelf kijken. Eigenlijk, zei ze berispend, moest men nog niet gesteriliseerde poezen niet buiten laten, de kans dat ze weglopen is dan groot. Het asiel kreeg veel van die jonkies.

De quarantainekamer ter observatie van nieuwe poezen was aan het eind van een paar lange gangen. Twee rijen ijzeren hokken. De vrouw wees het achterste hok aan, dat zou d'r moeten zijn. Ze zat achterin, ineengedoken naast een kattenbak met papiersnippers. Was dat onze Bontje, met dat spitse snuitje? Nadat ik een paar keer haar naam had genoemd kwam er leven in het hoopje. Toen ik even later terugkwam met de mand zat ze vol verwachting bij het deurtje, klaar voor vertrek.

Gevonden katten die in het asiel belanden krijgen standaard een inenting. Bontje had die nog niet gehad, daarom werd alleen twee dagen verblijf gerekend; daarna mocht ze mee terug. Thuis werd de mand geopend. Monter stapte ze de kamer in, het hele avontuur alweer vergeten.

    • Noor Hellmann