Spermadonor mag voorlopig anoniem zijn

Nieuwe spermadonoren hoeven nog ten minste twee jaar niet bang te zijn voor opheffing van hun anonimiteit. Dit voorstel van de ministers Borst (Volksgezondheid) en Korthals (Justitie) heeft gisteren de instemming gekregen van het kabinet.

Het kabinet vindt dat kinderen die met behulp van kunstmatige inseminatie zijn verwekt het recht hebben te weten wie hun biologische vader is. Maar als de bepaling met die strekking nu van kracht wordt, wordt het aantal spermadonoren te klein. Het kabinet wil de komende twee jaar bij (potentiële) donoren begrip kweken voor het belang van het kind. Lukt dit niet, dan is verder uitstel noodzakelijk.

Het betreffende wetsvoorstel, dat onder meer de registratie van gegevens van spermadonoren regelt, werd in 1993 ingediend als vervolg op een besluit van het derde kabinet-Lubbers. Dat bepaalde dat via kunstmatige inseminatie verwekte kinderen de identiteit van de spermadonor zouden moeten kunnen achterhalen.

Dit besluit heeft afgelopen jaren tot grote onrust geleid onder (potentiële) spermadonoren. Sinds 1990 is hun aantal meer dan gehalveerd: in 1990 waren er nog 901 doneren bij de spermabanken ingeschreven, eind 1997 nog maar 433. De Nederlands Belgische Vereniging voor kunstmatige inseminatie verwachtte vorig jaar dat er maar zo'n honderd donoren overblijven als de anonimiteit wordt opgeheven. Het kabinet, dat afgelopen maanden daar onderzoek naar heeft laten doen gaat er van uit dat het huidige aantal donoren in dat geval wordt gehalveerd. Een aantal spermabanken heeft door gebrek aan donoren al moeten sluiten. Eind vorig jaar waren er nog twaalf tegen twintig in 1990.

Borst en Korthals constateren dat er `onvoldoende maatschappelijk draagvlak' is voor de gedwongen opheffing van de anonimiteit. Maar gezien het belang dat een kind kan hebben bij het kunnen kennen van zijn biologische vader willen ze de bepaling niet schrappen uit het wetsvoorstel. En omdat het ook andere zaken regelt willen Borst en Korthals de parlementaire behandeling voortzetten. Dit kan als het betreffende wetsartikel bij de invoering van de wet voorlopig buiten werking wordt gesteld.