Racistisch lidwoord

Amok was het niet. Het was safari. De 23-jarige Pandelís Kazákos ging die avond met een groot kruis op zijn borst op jacht door het centrum van Athene om vreemdelingen neer te schieten waarvan het in zijn ogen `vergeven' was. Twee dagen tevoren had hij al, zonder te worden betrapt, geoefend op drie Koerden, van wie er één meteen bezweek.

Deze keer wilde hij tien personen treffen, hij zag het als `een opdracht aan zichzelf' in dienst van Griekenland. Een paar weken tevoren hadden Albanezen een Griekse vlag verbrand tijdens de voetbalwedstrijd Griekenland-Albanië (door 1.000 Grieken en 1.500 Albanezen bijgewoond). Het was op de tv geweest. Ook was hij de laatste tijd verschillende eigendommen kwijtgeraakt, aan buitenlanders natuurlijk.

Om tien over negen ziet hij zijn eerste vreemdeling, een Nigeriaan, in de wijk Psyrrí. Hij schiet hem neer en verwondt hem ernstig. Om kwart voor tien doet hij hetzelfde in de buurt van het centrale plein Omonia met een immigrant uit Bangladesh. Een uur later bevindt hij zich in het studentendistrict Exárchia, daar schiet hij weer op een Nigeriaan, die later in het ziekenhuis overlijdt. Om kwart over twaalf, niet ver daarvandaan: een Pakistaan, ernstig gewond. Hij mikt alleen op hoofden, van korte afstand. Half één, terug in de buurt van Omonia, doodt hij een man uit Georgië. Na een pauze van bijna vier uur vindt hij nog een Egyptenaar, die zware verwondingen oploopt.

Pas dan weet de politie hem te pakken. Hoewel de nacht al vergevorderd was, had hij er nog vier willen treffen, zei hij later. Omdat hij aankondigde ook in de gevangenis buitenlanders te zullen doden – zowat de helft van de gevangenisbevolking – is hij voorlopig op Kreta gedetineerd, ergens waar bijna geen vreemdelingen zijn.

De drievoudige moordenaar werd meteen onderwerp van gesprek in heel Griekenland, iets wat hij ook nastreefde. Hij mocht al na twee dagen zijn vader ontmoeten en vroeg hem: hoe zien de mensen mij, als een held of als moordenaar? Bedroefd antwoordde de vader: als moordenaar, m'n jongen.

En alom weerklinkt de vraag: is deze man, een drugsgebruiker, ergens representatief voor een racisme dat onder ons leeft, of is hij een op zichzelf staand geval, psychiatrisch misschien? Aan de hand van foto's uit het archief wist één krant aannemelijk te maken dat Kazákos deel had uitgemaakt van de Chrysí Avgí, de Gouden Morgenstond, een kleine maar hechte fascistische en racistische organisatie die in sommige buurten van Athene actief is onder de schooljeugd, eigen bureaus onderhoudt en er op los timmert) als `tegenwicht' bij linkse demonstraties. Antiracistische verenigingen pleiten al lang, en nu weer verhevigd, voor een verbod van deze club, waarvoor te veel sympathie zou bestaan in politiekringen.

Er is ook een politiek partijtje tegen vreemdelingen, Grieks Front geheten, maar dat behaalt slechts een microscopisch klein aantal stemmen. Heel anders dan in bijvoorbeeld Oostenrijk en Zwitserland. Dat wil niet zeggen dat er geen racisme is in dit land.

Het richt zich echter vooral tegen Albanezen, die tweederde van de ruim 600.000 buitenlanders uitmaken. Daarom was het opmerkelijk dat Kazákos geen Albanezen heeft getroffen.De Albanezen, en daarna de 5.000 Roemenen, gelden als de aanstichters van de sterk verhoogde criminaliteit in Griekenland. Maar het weekblad Pondiki (Muis) kwam na de moordpartij met een bijkans eindeloze lijst van geweldmisdrijven tégen Albanezen, bijna alle ongestraft en/of ononderzocht. Wie in dit land een Albanees neerschiet omdat hij een watermeloen gapt, kan rekenen op totale instemming en solidariteit. Maar Kazákos ging veel te ver. Ik heb nog geen enkel blijk van instemming opgevangen.

Het algehele afgrijzen leidde echter niet tot noemenswaardige Griekse deelname aan een grote antiracistische optocht door Athene; de 3.000 deelnemers waren voornamelijk vreemdelingen. Veel zwarten – de Nigeriaanse straatverkopers zijn hier eigenlijk wel populair – en heel wat Aziaten. Weinig Albanezen, en helemaal geen zigeuners, hoewel die over racisme weten mee te praten.

Griekenlands meest gelezen columnist, Lefthéris Papadópoulos, schreef in Ta Nea een heftig antiracistisch stuk, getiteld De Beestachtigheid. Maar het vreemde was dat ook dit weer een anti-Albanese ondertoon had. Tegen het einde heet het: ,,Ik geloof niet dat we racisten zijn, ik geloof echter wel dat we geneigd zijn het te worden. En dat is ook de schuld van de buitenlanders, in het bijzonder de Albanezen. Die voor een percentage, gering overigens, tot aan hun nek in de criminaliteit staan. Van de 100 economische immigranten werken er 95 hard, in zware arbeid, om een stuk brood te verdienen. En menigeen heeft de knuppel van de Griekse hyperpatriot al op zijn rug gevoeld...''.

Goedbedoeld, zal men zeggen. Maar waarom zijn dan toch de Albanezen de schuld, terwijl 95 procent geen schuld treft? Het is dit stomme lidwoordje `de' dat een hoofdrol speelt bij elk racisme, product van monsterlijke generalisering. Eenzelfde gebruik van het verraderlijke lidwoord maakt degene die zegt: de Grieken zijn geen racisten.

    • Frans van Hasselt