Nederland wordt wel gewelddadiger

In tegenstelling tot wat sommigen beweren, wordt onze samenleving steeds gewelddadiger. Wie zegt dat het meevalt wil de ernst van de problemen niet onder ogen zien. Het is zelfs veel erger gesteld met de omvang van de geweldscriminaliteit dan de politiecijfers aangeven, menen Henk van de Bunt en Catrien Bijleveld.

Eerste Hulp-afdelingen in grote steden worden regelmatig geconfronteerd met de gevolgen van geweld. Dat is op zich niets nieuws. Nieuw is wel dat het geweld zich tegenwoordig ook keert tegen het verplegend personeel. Daarom loopt tegenwoordig op een aantal Eerste Hulp-afdelingen in de grote steden ook personeel in geüniformeerd blauw rond. Op alle fronten zijn in de afgelopen jaren dergelijke ontwikkelingen gaande. Wie zijn oor te luisteren legt bij portiers van discotheken, leraren in het voortgezet onderwijs of taxichauffeurs hoort dat het de laatste jaren erger is geworden met het geweld. Het geweld zou zowel in omvang als ernst zijn toegenomen. Jammer genoeg worden de ervaringen van deze maatschappelijke sensoren niet systematisch benut. Erger, zij worden al te gemakkelijk genegeerd. Het is opvallend dat juist in de afgelopen weken enkele deskundigen, onafhankelijk van elkaar, sterk relativerende opmerkingen over de geweldsproblematiek hebben gemaakt.

Ook Marcel van Dam behoort tot de groep van personen die vindt dat wij ons met z'n allen gek laten maken door de overdreven belangstelling voor geweld in de media. Er is volgens hem geen sprake van toenemend geweld op straat, maar wel van een geweldsexplosie in de journalistiek. De media blazen het probleem op tot grote proporties. Geweld scoort. Letterlijk zegt Van Dam dat het geweld afneemt, alleen het nieuws over geweld neemt toe. Nu moet een columnschrijver van de Volkskrant niet op nuance worden beoordeeld, hij moet de kern van het probleem raken. Daarvan is hier echter geen sprake. Toch bevindt Van Dam zich in goed gezelschap van enkele criminologen die genuanceerder hetzelfde beweren. Wat zien zij dat wij niet zien? Hebben zij betere ogen en oren of beschikken zij over andere bronnen? Dat lijkt niet het geval, integendeel zelfs. Met hun gevoel voor optimisme is het blijkbaar wel goed gesteld.

Er zijn twee bronnen die belangrijk zijn voor het bepalen van de aard en de omvang van geweld. Dat zijn de registraties van geweldsmisdrijven door de politie en de metingen die via de zogenoemde slachtoffer-enquêtes plaatsvinden. De politiestatistieken geven in de jaren negentig een trend aan. Jaarlijks stijgen de aantallen geregistreerde geweldsmisdrijven, soms iets sneller dan weer wat minder snel. Alleen 1995 laat een daling zien maar in de drie daaropvolgende jaren stijgt de curve weer. Grosso modo is dus duidelijk sprake van een stijging. Het toenemend aantal politieregistraties van geweld is voor een aantal deskundigen evenwel niet overtuigend genoeg. Zij stellen dat de politie meer aandacht heeft gekregen voor geweld en dus ook meer van deze criminaliteit opspoort en registreert. Zo zegt de Groningse hoogleraar criminologie, Willem De Haan, dat tegenwoordig ook de minder ernstige incidenten, zoals vandalisme en ruzietjes op het schoolplein, in de statistieken worden opgenomen. De stijging zou dus zijn toe te schrijven aan registratie-effecten. Is dit wel zo?

Vorig jaar september hebben wij een maatschappelijke sensor ingeschakeld. Wij vroegen een leraar in het voortgezet onderwijs in een achterstandswijk om voor ons een dagboek bij te houden van het geweld waarmee hij op school werd geconfronteerd. Hij beschreef in enkele maanden tijd een reeks van onthutsende gebeurtenissen. Slaan, getreiter, intimidaties, bedreigingen, mishandeling. In één geval richtte de dreiging zich tegen hem zelf. De meeste van deze geweldsuitingen voldeden aan de delictsomschrijvingen van geweldsmisdrijven in het Wetboek van Strafrecht. Het waren, ook in formele zin, gewoon misdrijven. Hoewel de aanleiding, de uitvoering en de uitwerking van deze uitingen van geweld steeds varieerden, was er toch ook een gemeenschappelijk patroon. Zij speelden zich allemaal af in een sociale context waarin het vragen van respect veel belangrijker werd geacht door de leerlingen dan het tonen van respect voor de integriteit van anderen, leerlingen zowel als leraren. Van deze `alledaagse' misdrijven werd in geen enkel geval aangifte gedaan bij de politie. Dat gebeurt veel vaker, of het nu geweld op school of geweld in het gezin of op straat betreft. De politiecijfers geven slechts een ondergrens aan. Het is in feite dus veel erger gesteld met de omvang van de geweldscriminaliteit dan de politiecijfers aangeven.

In Nijmegen heeft het WODC twee jaar geleden alle geweldsletsels laten tellen die op de Eerste Hulp van de twee Nijmeegse ziekenhuizen binnenkwamen. De aldus opgetekende geweldsincidenten werden vergeleken met de politieregistratie. Resultaat: veel slachtoffers van geweld die zich bij de Eerste Hulp lieten behandelen, bleken geen aangifte bij de politie te hebben gedaan. Over registratie-effecten gesproken. Het beetje meer dat tegenwoordig wellicht wordt opgetekend door de politie trekt de ondergrens misschien iets op. Maar dat is veel te weinig om op basis hiervan te stellen dat het huidige aantal door de politie geregistreerde geweldsmisdrijven een gevolg is van de explosief gestegen aandacht voor geweld in politiekringen.

In de afgelopen decennia is flink geïnvesteerd in het ontwikkelen van betere bronnen voor het bepalen van de aard en de omvang van de criminaliteit. Verreweg de belangrijkste bron voor geweldsmisdrijven is de slachtoffer-enquête. In zo'n slachtoffer-enquête wordt een representatieve groep van de Nederlandse bevolking gevraagd of zij in de afgelopen periode van een jaar slachtoffer van een of meer misdrijven is geworden. Het CBS neemt al sinds 1980 zo'n enquête af. Uit de gegevens van de afgelopen tien jaar komt een merkwaardig beeld naar voren. De periode 1990-1996 laat een fluctuerend verloop zien van het geschatte aantal ondervonden geweldsdelicten.In 1996 wordt een laagterecord gevestigd, maar in 1997 en 1998 neemt het aantal ondervonden geweldsmisdrijven weer sterk toe. In 1996 bedroeg dit aantal 722.000, in 1997 waren dit er 860.000 en in het laatste jaar van meting 1998 is het aantal opgelopen tot 954.000.

Onlangs verscheen in het Tijdschrift voor Criminologie een artikel van de criminologen Wittebrood en Junger waarin de stijging van geweldsmisdrijven werd betwist. Het artikel kreeg veel publiciteit maar geeft een misleidend en gedateerd beeld. De onderzoekers baseren zich namelijk op de CBS-enquêtes tot en met 1996. Het grillige verloop van de CBS-enquête in die periode kan, volgens inlichtingen van het CBS zelf, voor een deel worden verklaard uit tussentijdse wijzigingen in de opzet van de enquête. De auteurs missen echter de laatste 2 jaren, die een sterke stijging te zien geven. In de jaren 1997 en 1998 is de slachtoffer-enquête identiek afgenomen en derhalve zijn die afzonderlijke metingen ook onderling goed vergelijkbaar. Wanneer zij deze meest recente en derhalve meest relevante jaren hadden bestudeerd, waren zij tot de conclusie gekomen dat het gerapporteerde slachtofferschap wel degelijk is toegenomen.

Wittebrood en Junger gaan ook voorbij aan het bestaan van een andere belangrijke slachtoffer-enquête in Nederland, die zich goed leent voor bestudering van de trend in geweldscriminaliteit, namelijk de Politiemonitor Bevolking. Deze Politiemonitor is een van de grote onderzoeken in zijn soort in de wereld en wordt sinds 1993 tweejaarlijks afgenomen. De Politiemonitor (die niet te lijden heeft onder tussentijdse wijzigingen) ondersteunt het beeld dat hierboven is geschetst: van 1993 tot 1999 neemt de schatting van slachtofferschap van geweld toe. De cijfers stijgen van 710.000 in 1993 tot 736.000 in 1995. De stijging zet door tot 777.000 in 1997 en vervolgens tot 906.000 in 1999. De politiestatistieken en de slachtoffer-enquêtes wijzen dus allebei op een stijging van de geweldscriminaliteit in Nederland in de afgelopen jaren. Het is dan ook niet goed te begrijpen waarop sommige deskundigen hun relativerende opmerkingen baseren.

In de discussie over de aantallen geweldsdelicten en slachtofferschap van geweld wordt al te gemakkelijk voorbij gegaan aan de inhoud van het probleem. Het verwerven van meer inzicht in de verschijningsvormen van geweld is naar onze overtuiging een minstens zo belangrijke opgave dan het beantwoorden van de vraag of `het' geweld in de afgelopen jaren is gestegen. Een recente WODC-studie van Hester van der Vinne laat zien, dat achter tamelijk nauw omschreven delictcategorieën zoals `diefstal met geweld' een verscheidenheid aan geweldsdelicten schuilgaat, variërend van mislukte woninginbraken, door junks gepleegde en uit de hand gelopen winkeldiefstallen tot planmatig opgezette overvallen door professionele daders en berovingen met dodelijke afloop. Natuurlijk is het van belang om vast te stellen hoe vaak dit soort uitingen van geweld voorkomen. Maar tegelijkertijd dringen zich ook andere vragen op, die minstens zo belangrijk zijn: wat betekent het voor de slachtoffers, wie zijn de geweldplegers, welke relaties zijn er tussen drugs en alcoholgebruik, etcetera. Dit zijn meer kwalitatieve dan kwantitatieve vragen die om wetenschappelijke aandacht en nauwkeurige ontleding van de problematiek vragen. Inzicht in de verscheidenheid van de geweldsproblematiek is bovendien een belangrijke voorwaarde voor het ontwikkelen van gedifferentieerde interventiestrategieën.

Deskundigen die vinden dat het allemaal wel meevalt met `het' geweld, maken in feite een rondedans rond de problemen. Zij willen of durven de ernst van de problemen niet onder ogen te zien. Ze verkondigen dat het probleem ons wordt aangepraat, en het valt te vrezen dat zij vervolgens overgaan tot de orde van de dag.

Henk van de Bunt en Catrien Bijleveld zijn respectievelijk directeur en programma-coördinator van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum van het ministerie van Justitie.

    • Catrien Bijleveld
    • Henk van de Bunt