Ik ben een beetje een meeloper

Op de drempel van de 21ste eeuw blikken vijf Nederlanders terug op hun leven.

Deze week: ambtenaar, jurist

en historicus Cees Fasseur (60),

biograaf van koningin Wilhelmina.

De fouten die Nederland in Indië heeft gemaakt, heb ik nooit met mijn vader besproken. Ik wist hoe hij dacht en ik begreep het, want zo was die tijd. Ik ben nooit opstandig geweest.

,,Mijn vader werd in 1927 employé van de Bataafse Petroleum Maatschappij op Balikpapan. Hij was de baas in een fabriek waar Indonesische arbeiders ijzerplaten veranderden in oliedrums. Ik ging in Indië alleen om met Nederlandse kinderen. Indonesiërs had je in dienst, je ging niet met ze om. Wie die ongeschreven regel schond, plaatste zich buiten de eigen groep.

,,Ik ken het `kastegevoel'. Terug in Nederland was ik er getuige van hoe mijn ouders een hartelijke begroeting van oude Indische bekenden nogal snel afkapten. Dat verbaasde mij toch wel. Toen ik vroeg waarom ze dat deden, zeiden ze: `Ach, in Balikpapan gingen we toch ook niet met ze om'.

,,Geen inheemsen op de Nederlandse sociëteit. Zulke ideeën hadden mijn ouders. De superioriteit van de Westerse beschaving was de eerste veertig jaar van deze eeuw algemeen aanvaard. Het cultuurrelativisme kwam pas later.

,,Plaatsvervangend schuldgevoel heb ik daarover nooit gehad. Normen veranderen en je leert er steeds bij. Als ik nu een fles in de vuilnisbak gooi, heb ik een slecht geweten omdat ik weet dat ik naar de glasbak moet. Maar vijftien jaar geleden was dat niet zo. Voortschrijdend inzicht heet dat.

,,Toen Japan in 1941 de aanval opende op Nederlands-Indië, werd ik als driejarige met mijn moeder en zusje in een vliegtuig geladen en naar Java gebracht. Mijn vader bleef achter op Balikpapan als lid van het `vernietigingscommando' dat alle aardolieputten, boortorens en fabrieken moest vernielen vóór de komst van de Japanners. In 1942 kwamen mijn moeder, mijn zusje en ik drie jaar in een kamp terecht in Semarang. Vijfduizend kinderen en drieduizend vrouwen, met groepen van twintig in kleine huisjes. De herinnering is vaag: honger en gezelligheid.

,,Na de oorlog keerden we terug naar Balikpapan waar mijn vader de eigenhandig vernielde oliedrumfabriek weer opbouwde. Niemand zag aankomen dat Indonesië afstevende op onafhankelijkheid. Tijdens de landing van de Nederlanders in Djokja bij de Tweede Politionele Actie stonden mijn vader en ik te juichen. Eindelijk zouden ze eens afrekenen met de rebellen.

,,In 1969 moest ik als ambtenaar bij het ministerie van Justitie in Den Haag de keerzijde onderzoeken van die feestelijke gebeurtenis. Als lid van de `excessencommissie' inventariseerde ik de gruweldaden die Nederlandse militairen tijdens de Politionele Acties begingen. Ik was verrast dat er zoveel viel te rapporteren. Mijn omgeving was sceptisch. Mijn vader vroeg of ik soms ook ging uitzoeken hoeveel er aan de andere kant was gemoord. De meeste andere commissieleden hadden een loopbaan in Indië achter de rug en vonden het hele onderzoek maar onzin.

,,Ik werkte honderden meters archief door en noteerde de misdaden die ik tegenkwam. Later bleek dat maar een fractie te zijn van de vele misdaden die zijn gepleegd. Ik reken dat mijzelf niet aan. Ik heb beschreven wat ik vond in de archieven, meer kon ik niet doen. Het leger opereerde in kleine groepjes. Angstige militairen die als gekken hebben staan schieten. Daar vind je niet alles van terug in officiële stukken. Ik heb het mijzelf nooit kwalijk genomen dat ik stond te juichen toen die troepen landden. Ik was toen pas tien jaar oud. En mijn vader, ach die dacht net zoals negentig procent van de Nederlandse bevolking in die tijd: wij moesten Indië bevrijden van de tiran Soekarno.

,,De toenmalige premier De Jong concludeerde uit de Excessennota dat er weliswaar wreedheden waren begaan, maar dat het Nederlandse leger als geheel geen blaam trof. Dat accepteerde ik. Wat moest ik anders? Als je iets in het openbaar wilt vinden, moet je niet in ambtelijke dienst treden. Politici moeten ook kunnen voortbestaan. De premier kon onmogelijk tegen een achterban van tweehonderdduizend Indië-veteranen zeggen dat ze zich hadden misdragen. En bovendien: de excessen die ik vond, staan in de nota. Daar ging het mij om.

Nederland zag in 1945 niet dat het kolonialisme dood was. Mijn ouders ook niet. Aan politiek deden ze niet, dat was voor mensen die het anders wilden. Toen ze merkten dat ze hadden verloren, verzetten ze de bakens. Mijn vader heeft Soekarno na de onafhankelijkheid in 1949 nog rondgeleid in zijn fabriek. Hij was ervan overtuigd dat het land naar de knoppen ging, maar dat verbitterde hem niet. Zijn pensioen naderde en dan zouden we toch terugkeren naar Nederland. In 1950 had de nieuwe Indonesische regering bedacht dat het tekort aan geld moest worden opgelost door het doormidden te knippen. Mijn vader zat bankbiljetten in tweeën te knippen terwijl onze huisbediende angstig toekeek. `Ja jongen, je hebt nu een eigen regering', zei hij toen. Dat vond hij wel een mooi moment.

,,De Nederlandse dekolonisatiepolitiek was achteraf bezien onverstandig en soms zelfs misdadig. Maar excuses maken vind ik onzin. Het is ahistorisch om een generatie die toen nog nauwelijks was geboren op de knieën te dwingen. Ik heb van de Japanners ook nooit excuses verlangd voor de periode in het kamp.

,,Wat gebeurd is, is gebeurd. Waar moet je beginnen met je verontschuldigingen? De Nederlanders werden behalve door winstbejag, ook gedreven door verantwoordelijkheidsgevoel. De `ethische politiek' stoelde op het geloof dat het onze taak was om Indië tot wasdom te brengen. We hadden beter net als de Engelsen kunnen vertrekken. Zoek het zelf maar uit. Maar de combinatie van goede bedoelingen en bemoeizucht maakte dat onmogelijk.

,,Geschiedenis is begrijpen. Ik beoefen dit vak niet om de zedenmeester uit te hangen. Tijdens de politionele acties op Oost-Java waren er drie militairen uit Friesland die weigerden om een dorp in brand te steken. Ze wilden anderen niet aandoen wat de Duitsers hun hadden aangedaan. Ik heb daar grote sympathie voor, maar ik ga niet schrijven: kijk eens wat een voortreffelijke kerels dat waren. Ik zou nooit een moraal aan een verhaal willen verbinden.

,,De ambtenarij is een goede leerschool. Na mijn rechtenstudie kwam ik terecht op het ministerie van Justitie. Bij de secretaris-generaal en de minister over de knie als je een fout maakt. Het leukste voor een ambtenaar is om de minister zover te krijgen dat hij doet wat jij wilt. In 1985 bracht de staatscommissie-Jeukens een rapport uit waarin stond dat euthanasie ook toegepast moest kunnen worden bij wilsonbekwamen. Dat deed mij de haren te berge rijzen. Daar wilde ik geen wetsvoorstel van maken. De toenmalige minister Korthals Altes was het met mij eens. Dat gaf grote voldoening.

,,De grens voor een ambtenaar is zijn geweten. Een ambtenaar moet loyaal zijn. Dat is iets anders dan gehoorzaam. Paarden of honden zijn als het goed is gehoorzaam, bij ambtenaren heeft dat in het verleden geleid tot de strop in Neurenberg. Maar in mijn loopbaan heb ik er zelden moeite mee gehad om opdrachten uit te voeren. In het kabinet-Van Agt/Wiegel was abortus een struikelblok. Ik moest een wet maken waarmee de achterban van het CDA overstag zou gaan. Links en rechts waren abortusklinieken verschenen die zich vaak richtten op de buitenlandse markt. Walgelijke geldverdienerij. Ik suggereerde een termijn van vijf dagen bedenktijd. Die drukt het belang uit van de beslissing, voorkomt abortustoerisme en kon het CDA over de streep trekken. De wet is op het nippertje aangenomen en sindsdien niet meer gewijzigd. Daar ben ik zeer tevreden over.

Tijdens een bespreking op het ministerie van Algemene Zaken over het ontwerp Vaarplichtwet in 1969 kwam ik tegenover Josine van Santen te zitten, juriste bij Algemene Zaken. Liefde op het eerste gezicht, van mijn kant althans. We bespraken een wet die bepaalde dat de bemanning van koopvaardijschepen in het geval van een Derde Wereldoorlog moet blijven doorvaren.

,,Je zou kunnen zeggen dat wij een ambtelijk huwelijk hebben. Als rechter paste zij later de wetten toe die ik maakte. Na afloop van die bespreking over de Vaarplichtwet hielp ik haar in haar jas, een geste die onder ambtenaren niet gebruikelijk is. Ik bood haar een lift aan in mijn twaalf jaar oude Fiat. Die weigerde ze, ze had zelf een betere auto. Ze zag aanvankelijk niet veel in mij. Maar ik denk dat mijn goede reputatie bij Algemene Zaken – sinds de Excessennota – haar aandacht trok. Als vice-president van het Haagse gerechtshof is zij niet iemand om overheen te lopen. Ze is ook een paar centimeter langer dan ik. Maar mijn troef is dat ik mijn eigen weg ga.

,,Het politieke activisme is aan mij voorbijgegaan. Mijn meest vergaande daad was in de jaren zeventig het lidmaatschap van D'66. Ik kreeg meteen de plaatselijk voorzitter van Leidschendam op mijn dak. Of ik op zaterdag het partijblad wilde uitdelen. Of een foto van mijn gezin in de krant wilde laten afdrukken met de tekst: `D'66, voor hun toekomst'. Of anders een partijposter voor het raam wilde hangen. Gelukkig maakte mijn vrouw bezwaar. Als rechter kon zij het zich niet permitteren een politieke mening te ventileren. Tegenwoordig ben ik een zwevende kiezer die toevallig altijd stemt op de partij die gaat winnen. Een beetje een meeloper misschien.

,,Hoewel ik zelf niet zo'n Macher ben, bewonder ik daadkracht in anderen. Ik schrijf liever over Wilhelmina die probeert haar zin te krijgen dan over een genie dat het in een hoekje beter zit te weten. Ik heb grote bewondering voor Winston Churchill. Een weergaloos redenaar die op het juiste moment de geallieerden op de been hield. Terwijl de natie liever `peace in our time' aanhoorde van Chamberlain, riep hij tijdens zijn `war speeches' in 1940 `fight and never surrender'. Prachtig vind ik dat. Zelf had ik in zijn plaats waarschijnlijk gezegd: Hitler heeft de oorlog al gewonnen, laten we maar gaan onderhandelen.

Politieke leiders moeten geen slappe knieën hebben. Anders krijgen de ambtenaren te veel praatjes. Politiecommissarissen als Nordholt die naast hun schoenen lopen van verwaandheid, half-intellectuelen die zich gedragen als super-ego's. Die praatjes van de politie zijn niet het gevolg van de Politiewet die ik begin jaren negentig heb geschreven. De politiecommissarissen kregen door die wet wel een groter gebied onder zich. Maar we hebben er juist voor gezorgd dat ze verantwoording moeten afleggen aan de burgemeester en de hoofdofficier van justitie.

,,Dat gebeurt in de praktijk te weinig. De Utrechtse commissaris Wiarda had ontslag moeten krijgen toen hij in 1994 zonder enig bewijs zijn collega's in Amsterdam beschuldigde van corruptie. Maar wat gebeurde er? Hij werd een jaar of wat later politiecommissaris in Den Haag. Van Thijn deed als burgemeester van Amsterdam wat Nordholt wilde. Dat is de omgekeerde wereld. Hoe is het mogelijk dat een man die gewoon ambtenaar is, een paar honderdduizend gulden gemeenschapsgeld mag besteden aan zijn afscheidsfeest in het Amsterdamse Concertgebouw? De toenmalige ministers Sorgdrager en Dijkstal stonden dat toe, in plaats van dat ze zeiden: `Nordholt, de boom in'.

,,In leiders zoek ik intellectuele kwaliteit. Daarom bewonder ik Wilhelmina. Zij was zeer intelligent en kon goed hoofd- van bijzaken onderscheiden. Ik ben vóór de monarchie. Een familie die afstamt van Willem van Oranje voldoet aan mijn gevoel voor geschiedenis. Het koningschap heeft als voordeel dat het voorziet in een staatshoofd dat apolitiek is. Stel je voor dat mevrouw Jorritsma tot president zou worden benoemd omdat de VVD toevallig aan de beurt is. Een koninklijke opvoeding vind ik belangrijk. Bij gekozen staatshoofden moet je maar afwachten of ze aan een staatsbanket hun servet niet op de grond laten vallen.

Ik weet niet waar ik de eer aan dank dat ik nu als enige het persoonlijk archief van Wilhelmina en Hendrik mag bestuderen. Waarschijnlijk aan mijn uitgebreide Haagse netwerk. Het wakend oog van Beatrix ervaar ik niet als een last. Ik weet dat ze het eerste deel heeft gelezen, maar bespreek dat niet met haar. Dat zou mij te veel beïnvloeden.

,,Critici zeggen dat ik mij geen raad weet met de buitenechtelijke escapades van prins Hendrik. Dat is onzin. Alle relevante feiten die ik tegenkom, schrijf ik op. Maar zolang ik geen bewijzen heb, trek ik geen conclusies.

,,Het huwelijk van Hendrik en Wilhelmina was na de geboorte van Juliana niet goed meer, dat is een feit. Maar er zijn ook veel roddels. Hendrik zou syfilis hebben gehad. Ik heb daar aanwijzingen voor, maar geen bewijzen. Hij verbleef in een kliniek in Duitsland waar alle mogelijke ziekten worden behandeld. En er is een brief van Wilhelmina waarin zij schrijft dat ze er `persoonlijk belang' bij heeft te weten of Hendrik al beter is. Maar in zijn verdere leven ben ik weinig over die ziekte tegengekomen. Misschien was het toch gewoon reuma.'

    • Daniela Hooghiemstra