Ga niet langs `Af'

Weet u nog hoe een jaar of vijf geleden het Internet begroet werd als een hele nieuwe wereld, ver van de alledaagse morsigheid? Een virtuele wereld waar idealisten en welmenende burgers naar beste eer en geweten informatie met elkaar zouden uitwisselen op basis van voor wat hoort wat? De reëel bestaande Global Village in de beste zin van het woord, die mensen van over de hele wereld tot elkaar zou brengen?

Heel eventjes heeft het daar ook echt op geleken. Dat waren de tijden waarin de eerste onverlaat die een commerciële boodschap op – voor die dagen – flinke schaal durfde verspreiden, een New Yorks advocatenkantoor, meteen een compleet e-mail-bombardement om de oren kreeg, en het peilloze dédain oogstte van de hele internet-gemeenschap.

Zelden stonden goeroes sneller in hun hemd dan juist in het geval van het Internet. Want het voorspelde onbaatzuchtig paradijs verkeerde in een vloek en een zucht in de zwartst denkbare commerciële slangenkuil. Het idyllische Internetlandschap van begin jaren negentig, bewoond door nobele cyberwilden met een geldloze economie werd ruw onder de voet gelopen door begerige horden goudzoekers, die de arme wilden zonder omwegen geprest hebben tot slavenarbeid in hun mijnen, en tegelijk ook elkaar naar het leven staan.

Want slavenarbeid is het, wat de moderne internetgebruiker moet verrichten. Verplicht advertenties kijken, de hele dag, overal. Verplicht mailboxen vol spam verstouwen. Verplicht, als je gratis internet hebt, beginnen in de rattenval van je grijnzende aanbieder, zijn portal. Verplicht je geld afgeven, want al die spam, al die reclame kost onontkoombaar en ongevraagd telefoontikken.

De inboorlingen reageerden zich als alle onderworpen wilden voor hen: met verlies van waardigheid. Van een trotse, zelfbewuste virtuele stam verwerd de netbevolking tot een explosief groeiende menigte klagerige krabbelaars, die alleen nog haken naar het magische woordje `gratis', zoals de verslagen Indianen zich overgaven aan de roes van inferieur, door hun onderdrukker aan hen gesleten vuurwater. De internetconsument met zijn freeler- of zon-account is hopeloos 'hooked' en klaar om uitgemolken te worden, met precies dezelfde onfeilbare tactieken waarvan kolonisatoren en drugsverkopers zich al eeuwen bedienen.

Intussen speelden zich over het hoofd van de consument heen de eerste bedrijven af van de al even traditionele machtsstrijd tussen kolonisatoren onderling, en ook op dat gebied ging het toe als in de rauwste perioden uit de geschiedenis. Microsoft ging de eerste pionierende `conquistadores', zoals Netscape en Sun met zijn Java, niet anders te lijf dan de VOC de Portugezen in Indië te grazen nam, of Piet Hein de Spanjaarden in het Caribisch gebied: met alles wat het in huis had, inclusief afpersing en sabotage. Niets werd nagelaten om elke mogelijke concurrent de nek om te draaien en zo de alleenheerschappij op het Cyberische continent te vestigen.

Grotendeels is dat Microsoft ook gelukt – althans voorlopig, want geen heerschappij is eeuwig. Maar juist nu voorzichtig nieuwe kapers op de kust verschijnen, denk bijvoorbeeld aan Linux, deelt de rechter op aandrang van de Amerikaanse justitie een fikse klap uit aan het bedrijf uit Redmond, Washington. Microsoft is een monopolist, en wat erger is, eentje die zijn positie langs duistere weg bereikt heeft en misbruikt. Er werd flink gejuicht over deze tegenslag voor Kaiser Bill en zijn bedrijf, dat velen nu eenmaal beschouwen als het Rijk van het Kwaad. Maar is daar reden voor? Wel voor de concurrenten natuurlijk, maar ook voor de consument? Maakt het uit of hij van de hond of van de kat gebeten wordt?

Op de korte termijn schiet de gewone gebruiker er inderdaad weinig mee op. Eerder omgekeerd. Keuzes die hem zijn pet toch al te boven gaan, worden nog ingewikkelder, standaarden worden uit concurrentieoverwegingen nog minder standaard. Je kunt van de alomtegenwoordigheid van Microsofts programma's zeggen wat je wilt, maar het schept wel duidelijkheid.

Maar op langere termijn ligt het anders. Er is in principe weinig tegen een monopolie, juist vanwege de eenvoudige keuzes en de duidelijkheid. Maar helaas zijn er op de wereld nauwelijks benen te vinden die de weelde van een monopoliepositie met het vereiste Platonische verantwoordelijkheidsgevoel kunnen dragen. Overheden lukt het nog wel eens – denk aan het geweldsmonopolie van de overheid in beschaafde landen als het onze – maar commerciële bedrijven is het ten enen male niet gegeven. Het verschil is dat een nette overheid gecontroleerd wordt door zijn afnemers, zodat er in grote lijnen een evenwicht bestaat tussen de partijen. Bij bedrijven is daar geen sprake van. De klant controleert, alle managementpraatjes ten spijt, helemaal niets. Klantgerichtheid betekent echt uitsluitend `met de ogen strak op des klants kontzak'. Afnemers van commerciële ondernemingen kunnen alleen maar stemmen met de voeten, en dát is nu juist bij een monopolie uitgesloten.

Dat heeft nare gevolgen. Een commercieel bedrijf heeft geen ander doel dan zijn eigen voortbestaan en het vergaren van zoveel mogelijk geld, noodzakelijkerwijs ten koste van zijn klanten (overheden doen hetzelfde, maar ten bate van diezelfde klanten, omdat die tevens de aandeelhouders zijn). Uitgeven, investeren en innoveren gebeurt alleen als het niet anders kan. Een monopolist wil het liefst alles houden zoals het is. Daarbij past het wegmaaien van jong gras beter dan onrustverwekkende innovatie.

Bovendien lijdt elk groot bedrijf aan een Narcissussyndroom. Men praat en overlegt alleen nog binnen de eigen kring, feliciteert elkaar met de eigen bedenksels en beziet alles van buiten met afwijzend wantrouwen. Philips, het vroegere IBM en elk denkbaar ministerie zijn er schoolvoorbeelden van. En Microsoft, dat zichzelf daardoor zelfs in de rechtszaal geregeld mateloos overschatte.

Narcisme en een monopoliepositie vormen een cocktail die precies even giftig is als het Franquisme was voor Spanje. Een wurggreep die elke redelijkheid, zelfkritiek en vernieuwing smoort. Daarom is het goed als Microsoft zijn greep op de markt ten dele verliest.

    • Rik Smits