DEELSTATEN BEPALEN DE STANDAARD

`We willen dat scholen een rapport over hun prestaties uitgeven dat ouders kunnen opvragen.' De Amerikaanse minister van Onderwijs Richard Riley, Democraat, hamert op kwaliteit.

Hij is de Amerikaanse minister van onderwijs, maar veel zeggenschap over scholen heeft Richard Riley niet. De federale regering werkt op grote afstand van de scholen en levert slechts zeven procent van hun begroting. Het grootste deel betalen de vijftig staten en 15.000 `schooldistricten' zelf. Maar de secretary of education kan op nationaal niveau wel hameren op het belang van onderwijs. ``Ik kan de agenda van de onderwijswereld beïnvloeden en ik kan voorwaarden stellen aan scholen die azen op de federale dollars.'' Riley doet dat al zes jaar. De oud-gouverneur van South-Carolina is één van de langstzittende ministers van de regering-Clinton. Drie dagen was Riley in Nederland, op bezoek bij onder anderen minister Hermans (Onderwijs). Na zijn bezoek aan het Anne Frankhuis had hij tijd voor een gesprek van net 40 minuten.

Anders dan in Nederland bestaan in Amerika grote regionale verschillen in de financiering en kwaliteit van scholen. Hier krijgt elke school per leerling hetzelfde bedrag van het rijk, ongeacht de regio of de signatuur van de school. In de Verenigde Staten zijn schoolbesturen afhankelijk van de welvaart en politieke prioriteiten van de staat waarin ze zijn gevestigd. De ene staat is rijk, zoals Maryland, en kan voldoende belasting heffen om zijn scholen te financieren. Andere staten zijn armer of vinden onderwijs van oudsher niet belangrijk. Zij trekken er zo min mogelijk geld voor uit. Bovendien stuurt twee procent van de ouders zijn kinderen naar een vermogende privé-school.

Het rijk probeert de verschillen te beperken en het gemiddelde niveau te verhogen, zegt de Democraat Riley. De federale dollars die naar scholen gaan, investeren de Democraten bijna uitsluitend in achterstandsgroepen: gehandicapten, migranten en leerlingen in arme wijken.

In 1983, onder een Republikeinse president, sloeg een gezaghebbende denktank alarm over de deplorabele staat van het publieke onderwijs in Amerika. Een op de vijf Amerikanen bleek amper te kunnen lezen en schrijven. In internationale vergelijkingen scoorden Amerikanen met rekenen gemiddeld ook slecht. Hun rapport, `A Nation at Risk', geldt sindsdien als een mijlpaal in het denken over onderwijs in Amerika. De `standards movement' kwam er uit voort, een beweging die onderwijs standaarden bepleit: wat moet elk kind minimaal weten op zijn achtste, twaalfde en vijftiende jaar? Sindsdien hebben alle 50 staten standaarden ingevoerd. Niettemin bleek nog in 1998 dat maar 1/4 van Amerikaanse eindexamenklassers `goed' leest en schrijft. Één procent is heel goed, de rest is niet goed genoeg.

verschillen

De staten hebben grote autonomie en mogen zelf bepalen wélke standaarden ze hanteren. ``Wij kunnen hooguit adviseren over goede normen. Het eerste wat wij in 1993 deden, toen we aan de macht kwamen, was ervoor zorgen dat staten de verwaterde standaarden voor kinderen uit arme gezinnen of migrantenwijken afschaften. Van elk kind, waar die ook vandaan komt, moeten wij hetzelfde verwachten.'' Nog altijd zijn de verschillen tussen etnische groepen groot in de Verenigde Staten: in 1990 had 88 procent van de blanke volwassenen de middelbare school afgemaakt, 80 procent van de zwarten en 62 procent van de Latijns-Amerikanen. Een kanttekening bij deze cijfers, van de Sandia National Laboritories in Albuquerque, is dat een deel van de Latijns-Amerikaanse migranten niet in Amerika op school heeft gezeten.

Voorwaarde voor scholen in achterstandswijken om extra geld van Riley te krijgen, is dat ze goede standaarden nastreven. De Democraten proberen nu een wet door het Congres te loodsen, die voorschrijft dat scholen niet alleen doelen nastreven maar zich ook verantwoorden voor hun resultaten als ze steun willen van de federale overheid. ``We willen dat ze een schoolrapport over hun prestaties uitgeven dat ouders kunnen opvragen.''

Om de standaarden te beïnvloeden hadden de Republikeinen in 1991 onder George Bush al een richtlijn ontwikkeld, de nationale NAEP-toets (National Assessment Educational Progress). Die is vergelijkbaar met de uniforme normen die de Onderwijsraad hier onlangs bepleitte. ``De NAEP-toets geeft ons belangrijke statistische informatie over landelijke gemiddelden. Maar scholen doen er vrijwillig en anoniem aan mee. NAEP is dus geen `high stakes' toets - je wordt er als school niet op afgerekend.'' Wel kunnen staten die dat willen, pronken met goede NAEP-resultaten. Er zij genoeg ondernemende ouders bereid naar een staat te verhuizen waar het onderwijs een goede reputatie heeft.

Een nieuw alternatief voor falende staatsscholen, zijn de zogeheten Charterschools. Ongeveer één procent van de kinderen zit op zo'n school. Zij kunnen publiek geld krijgen, waardoor ook arme gezinnen een charterschool kunnen kiezen, mits ze zich houden aan een contract (charter) met de staat. Daarin leggen ze vast hoe groot de klassen zijn, welke standaarden ze nastreven en hoe ze omgaan met ouders.

Amerikaanse schoolbesturen (`schooldistricts') krijgen nooit een onderwijsinspecteur over de vloer. Maar ze kunnen niet maar aanrommelen, want de leden van het schoolbestuur worden democratisch gekozen. Een bestuur draagt de verantwoordelijkheid voor vele scholen, in sommige gevallen alle scholen in de staat. Waar Nederlandse schoolbesturen besloten te werk gaan, zijn bestuursvergaderingen in Amerika openbaar en in enkele staten zelfs live te volgen op de lokale televisie. ``Daar komen vaak veel ouders op af waardoor het hele luidruchtige bijeenkomsten kunnen zijn'', zegt Riley.

Betrokkenheid van ouders en de lokale gemeenschap is essentieel voor de kwaliteit van het onderwijs, vindt de minister. ``Scholing is geen afgebakend geheel dat los staat van zijn omgeving. Allerlei sociale ontwikkelingen hebben invloed op het onderwijs. Of leerlingen worden gestimuleerd om te leren en of ze later werk vinden. Bedrijven moeten ook betrokken zijn. Onze slogan is: `Quality of education is everbody's business', met de nadruk op business.''

Steeds meer scholen in Amerika worden door bedrijven gesponsord zoals Microsoft, IBM, snoep- en sportschoenfabrikanten. Geweldig vindt Riley dit. ``Scholen worden niet afhankelijk van hun bijdragen, omdat het om kleine hoeveelheden gaat, voor computers of andere faciliteiten.'' Het is volgens hem vanzelfsprekend dat bedrijven jonge markten willen aanboren via het klaslokaal. ``Bedrijven betalen belasting en dat geld gaat grotendeels naar het onderwijs. Dan verwachten ze daar iets voor terug.'' Bovendien, zegt de minister, kunnen de kinderen na hun schoolloopbaan altijd kiezen voor andere producten. ``Misschien leren ze op school juist wel dat ze een bepaald merk níet willen.'' Hij zou het wel bezwaarlijk vinden als bedrijven inhoudelijke eisen zouden stellen aan de school. ``Als iemand zegt: wij schenken geld mits jullie alleen dit deel van de geschiedenis doceren, dan kan dat natuurlijk niet.''

De Democraten moeten alles op alles zetten om het onderwijsniveau te verhogen, zegt Riley, zeker nu Amerikaanse scholen worden bedreigd door een lerarentekort. De komende tien jaar heeft de natie 2,2 miljoen nieuwe leraren nodig. ``Die niet alleen les kunnen geven maar ook nog kunnen omgaan met anderstalige kinderen uit andere culturen'', zo onderstreept Riley de urgentie van het probleem. Net als in Nederland kiezen Amerikaanse jongeren tegenwoordig liever een baan in het bedrijfsleven dan op een school omdat ze bij een bedrijf meer kunnen verdienen en meer aanzien denken te genieten.

Momenteel treft de federale regering een aantal stimuleringsmaatregelen die in Nederland nog ondenkbaar zijn. Oud-soldaten, die na hun veertigste al met pensioen gaan, worden in het `Troops to teachers' programma omgeschoold tot leraar. Ook sponsort de federale regering een deel van de studie van goede studenten mits die tekenen voor vijf jaar leraarschap in een achterstandswijk. Riley wil zelfs een bonus van 10.000 dollar invoeren voor leraren die na die vijf jaar langer willen blijven. Ook daar moet het parlement nog mee akkoord gaan. ``Om de vakbonden tevreden te houden hebben we afgesproken dat alle nieuwe leraren uit het leger of het bedrijfsleven, om op een school te worden aangenomen, een `rigoureus pad' van bijscholing en sollicitatiegesprekken moeten afleggen. Anders zouden we de status van hun beroep weer degraderen.''

    • Frederiek Weeda