De supermarkt is bezorgder over biotechnologie dan de klant

Anders dan andere landen maken consumenten in Nederland zich weinig zorgen over de kwaliteit van hun voedsel. Laatste deel van een serie over biotechnologie en eten.

Het was een bescheiden bericht, twee maanden geleden. Grootgrutter Albert Hein wilde van zijn toeleveranciers alleen nog `traditionele producten' en geen waren meer die door genetische modificatie tot stand zijn gekomen. Aanleiding daartoe is het plan om in de nabije toekomst met zeer gedetailleerde etiketten te komen. Daarmee komt het winkelbedrijf alvast tegemoet aan de eisen die het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) wil gaan stellen.

De AH-supermarkten zouden er al last van hebben. Klanten bestuderen aandachtig het etiket om te zien of er genetisch gemanipuleerde (gm) ingrediënten inzitten en legt de koek, tube mayonaise of vleessalade terug als dat het geval blijkt te zijn. Leverden de fabrikanten van het huismerk tot voor kort nog zo'n 130 zogeheten gm-producten dat aantal is teruggelopen tot minder dan tien. De nieuwe soja- of maïsbestanddelen zijn inmiddels taboe. AH vindt – kennelijk anders dan voorheen – dat de klant recht heeft op correcte informatie over de grondstoffen van de levensmiddelen.

Eén partij betuigde meteen instemming, de milieu-organisatie Greenpeace. De activisten wezen erop dat het onderwerp steeds duidelijker op de politieke agenda komt te staan en dat de klant gaandeweg harder roept om `zuivere voeding'. In dat opzicht vindt Greenpeace het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel aan zijn zijde, dat de in 1995 tot stand gekomen wet over gm-producten lang niet ver genoeg vindt gaan. Tot dusverre geldt de eis dat de aanwezigheid van gm-ingrediënten op het etiket moet worden vermeld, als ze kunnen worden aangetoond. Maar die aantoonbaarheid valt niet altijd mee. Vandaar dat het bureau verder wil gaan en de fabrikant wil verplichten om op het product te melden dat er met gm-ingrediënten is gerommeld, als bekend is dat dit ergens in de productieketen is gebeurd.

Ook de Consumentenbond laat zich niet geheel onbetuigd. ,,De Consumentenbond is van mening dat we met z'n allen kritisch moeten blijven staan tegenover de toepassing van biotechnologie. Het moet allemaal veilig zijn voor mens, dier en milieu. Daarom heeft de Consumentenbond hard meegewerkt aan de opstelling van het Nederlandse Warenwetbesluit Nieuwe Voedingsmiddelen'', zo stelt de gids van afgelopen juli.

Opmerkelijk is dat er vervolgens op wordt gewezen dat de landbouw met minder bestrijdingsmiddelen moet gaan werken met het oog op de voedselveiligheid, terwijl dat nu juist één van de belangrijkste doelstellingen is van genetische modificatie. Zo heeft de Amerikaanse chemie-reus Monsanto de afgelopen drie jaar de hele wereld over zich heen gekregen omdat het Roundup Ready-soja op de markt heeft gebracht, dat resistent is gemaakt tegen herbiciden, die daarom in veel mindere mate worden gebruikt. In de zomer van 1996 stelde het onafhankelijke Centrum voor Landbouw en Milieu al vast dat die gemodificeerde soja van Monsanto ,,op korte termijn duidelijke winst oplevert voor het milieu in de Verenigde Staten'' waar de meeste soja wordt geteeld. De herbicide die nog wel wordt gebruikt is bovendien vele malen veiliger dan de twee die eerder bij de sojateelt werden ingezet.

De Nederlandse consument lijkt niet erg onder de indruk van de acties. Er zijn geen betogingen tegen `Frankenstein Food' op het Binnenhof, geen boycots van winkelketens of bezettingen van de Unox-fabriek. De klanten van de Nederlandse kruidenier hebben er – anders dan Britten, Duitsers en Fransen – wel vertrouwen in dat het goed zit. De verkoop van rundvlees kreeg een kortstondige dreun door de gekke-koeienziekte (BSE), maar was snel weer op het oude niveau. Ook de recente varkenspest en `chickengate' dit voorjaar hebben de Nederlander niet langdurig van zijn stuk gebracht.

In een flegmatieke samenleving die al sinds begin jaren zestig een overvloed aan salmonella-bacteriën in kip en eieren tolereert kan nauwelijks anders worden verwacht. VARA-voorzitter Van Dam leverde er onlangs in het programma Het Lagerhuis het bewijs van. Het televisie-programma handelde goeddeels over het vraagstuk rond de chemische castratie van pedoseksuelen, maar er was een klein hoekje ingericht voor een dispuut tussen de oud-politicus en een vertegenwoordigster van Greenpeace. Volgens Van Dam is er van oudsher bij mensen angst voor het onbekende als er een wetenschappelijke doorbraak wordt gemeld. Zo ook met gm-producten, want – zo meende Van Dam – de gentechnologie is de belangrijkste ontwikkeling van deze eeuw op het gebied van biochemie. De tegenwerping dat toch niet voor niets 115.000 Britse artsen voor grote gevaren waarschuwen bracht Van Dam niet van zijn stuk: ,,U denkt toch niet dat heel grote multinationals zulke dingen doen als die gevaarlijk zijn en de voedselveiligheid in gevaar brengen, waarna ze miljardenclaims kunnen verwachten?'' De activiste kon naar voren brengen wat ze wilde, van kruisingen tussen maïskolven en vuurvliegen tot de `genetische vervuiling' die rond proefvelden dreigt, maar Van Dam had het publiek op zijn hand.

Natuurlijk hecht iedereen aan voedselveiligheid, maar die is paradoxaal. Neem het antibioticum avoparcine, dat niet meer mag worden gegeven aan pluimvee omdat er een Europees verbod van kracht is geworden. ,,Daarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat op één miljoen vleeseters één persoon kan overlijden aan een infectie door een bacterie, die resistent is tegen avoparcine. Maar het is bekend dat één op de duizend vissers het risico loopt tijdens zijn werkzame leven om te komen. Maar geloof niet dat de Europese Commissie het eten van vis zal verbieden,'' aldus de Ierse toxicoloog en farmacoloog Pugh.

De Nederlander is niet zo `voedselkritisch' als wordt verondersteld. Uit een studie van onderzoeksbureau Trendbox blijkt dat veertig procent van de huishoudens als zodanig kan worden gekwalificeerd – vrijwel uitsluitend in de hoogste inkomens. De volgende dertig procent bekommert zich nauwelijks om de totstandkoming van de producten en de laatste dertig procent bezoekt wekelijks vijf tot zes supermarkten voor de laagste aanbiedingen om een acceptabel maal op tafel te kunnen zetten. Die blijken op andere kleintjes te letten dan Albert Heijn.

    • Bram Pols