CREATIEVE VERZORGING

Karel Wesdijk (13) wilde vroeger altijd kok worden. Inmiddels weet hij dat niet meer zeker, maar de interesse is er. Daardoor vond hij de kookopdracht die hij voor het vak verzorging thuis moest uitvoeren `wel leuk'. Lasagne en muffins had hij gemaakt, vertelt hij op een bankje in de hal van de Gereformeerde Scholengemeenschap Randstad in Rotterdam. ``Dat was wel lekker, ja.'' Minder leuk vond Karel de wasopdracht. ``Hij heeft de was met dichtgeknepen neus uit de wasmand gevist'', vertelt zijn moeder later lachend aan de telefoon. ``Maar die opdrachten hebben hem wel zelfvertrouwen gegeven. Hij heeft dit weekend toen ik even boodschappen deed een boterkoek gebakken.'' Zelf is atheneumleerling Karel nog niet zo zeker van het nut van het vak.

Het vak verzorging, dat sinds de invoering van de basisvorming in 1993 voor alle middelbare scholieren verplichte kost is in de eerste en/of tweede klas, roept associaties op met dampende pannen custardvla op grote fornuizen en leerlingen die stapels gestreken theedoeken in keurige vierkanten vouwen. In werkelijkheid is er op veel middelbare scholen niet veel te zien van deze praktische kant van het vak. Uit het evaluatieonderzoek van de Onderwijsinspectie blijkt dat bijna de helft van de 116 onderzochte scholen geen practicumlokaal heeft ingericht voor het vak. Dat dwingt docenten tot het verzinnen van creatieve oplossingen zoals thuis laten wassen en strijken en op schoolkamp leren koken.

De associatie met huishoudkunde doet het huidige vak verzorging overigens te kort. Het wassen van kleding is inderdaad een onderdeel, maar ook het kopen ervan en het proces van groepsdruk dat daarmee gemoeid gaat, reclame, arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden, rollenpatronen en recycling. De kern `zorgen voor jezelf en je omgeving' kan verzorging tot een breed en boeiend vak maken. Kan, want het vak staat of valt met de visie van de school en de docent. Het is aan hen om de vertaalslag van de vierentwintig door het ministerie van OC&W opgestelde kerndoelen naar de praktijk te maken en het vak dicht bij de leerling te brengen.

De Gereformeerde Scholengemeenschap Randstad (VMBO, Havo, VWO)hecht veel waarde aan de praktische kant van het vak, vertelt docent biologie en verzorging Bert Blokhuis. De school beschikt wel over een practicumlokaal met een keukentje, maar Blokhuis maakt daar, in tegenstelling tot zijn collega's, dit jaar geen gebruik van. Zijn klas Atheneum 2 is erg druk en Blokhuis ziet een practicum met hen niet zitten. Daarom geeft hij de opdrachten mee naar huis en vraagt hij de ouders een cijfer te geven voor de uitvoering. Bovendien moeten de leerlingen er een verslag over schrijven. `'Dat het thuis gebeurt vind ik leuk, want zo ziet mijn zoon wat er allemaal bij komt kijken om de boel draaiende te houden'', vindt Marijke Wesdijk, die ook het emancipatorische karakter waardeert. ``In het huishouden van de toekomst zullen toch man en vrouw samen het werk doen.'' Voor de dertienjarige Michel van der Stoep is dat nog de ver-van-mijn-bed-show: ``De wasopdracht heb ik niet gedaan, daar had ik geen zin in. Dat gaat later mijn vrouw toch doen. Voor het verslag heb ik op Internet gezocht.'' Michels vader vindt het overigens prima dat de school aandacht besteedt aan huishoudelijke klussen. ``Zelf heb ik het door schade en schande geleerd. Dat die praktijkopdrachten thuis gebeuren vind ik logisch, als de school over al die faciliteiten zou beschikken wordt het meer een huishoudschool.''

``Uit emancipatorisch oogpunt zouden we wel iets aan praktische vaardigheden moeten doen'', beaamt docent biologie en verzorging Toon de Jong van het Oelbert Gymnasium in Oosterhout. ``Waarom we het dan toch niet doen?'' De Jong tuurt nadenkend naar buiten. ``We hebben de faciliteiten niet, maar diep in mijn hart vind ik ook dat leren wassen en koken een taak is van de ouders. Volgens mij moet verzorging op het gymnasium meer inhouden dan al dat `knippen en plakken', want dat biedt onze leerlingen geen intellectuele uitdaging.'' Wars van alle wettelijke verplichtingen en kerndoelen heeft De Jong daarom al vanaf het begin een geheel eigen koers uitgezet. ``Ik vind het belangrijk dat leerlingen zich bewust worden van hun eigen handelen'', legt hij uit. ``Wie ben je, wat zijn jouw normen en waarden, hoeveel invloed heeft de groep op jou, wat is je zelfbeeld. Als je die kennis hebt, dan kun je bewuster omgaan met zaken als drank en drugs. Ik wil ze zich leren wapenen, zodat ze bewuste keuzes durven maken.''

Maar komt De Jong met zijn opzet niet in de knoei met de kerndoelen? ``Of ik de kerndoelen haal interesseert me niet'', reageert hij. ``Die BAVO-toetsen (BasisVorming-toetsen) halen de leerlingen toch wel, die kunnen prima overweg met een pictogram in een wasetiket. Ik denk dat verzorging op een gymnasium, en wellicht ook een Havo en Atheneum, de beste invulling krijgt door reflectie op jezelf.'' Uit het evaluatieonderzoek van de Onderwijsinspectie over het vak verzorging in de eerste vijf jaar van de basisvorming blijkt dat nog niet de helft van de 116 onderzochte scholen alle kerndoelen behandelt en dat slechts 63 procent van de leerlingen de BAVO-toetsen voldoende maakt.

Farinda Hastrich, coördinator van de sectie Verzorging van het Emmaus College (Havo-VWO) in Rotterdam pleit ervoor het aantal kerndoelen te verminderen. ``Feitelijk heb je nu de keuze tussen ze allemaal oppervlakkig behandelen, of niet alles behandelen maar de diepte ingaan.'' Hastrich wil meer aandacht kunnen besteden aan het verwerven van typische basisvorming-vaardigheden als samenwerken en onderzoek doen. ``Wij laten onze leerlingen bij verzorging veel groepswerk doen. Ze krijgen eerst informatie over bijvoorbeeld genotsmiddelen. Wat doet alcohol met je lichaam? Vervolgens gaan ze er in groepjes mee aan de slag om er een presentatie over te maken.''

Klas 2 Atheneum van de Gereformeerde Scholengemeenschap Randstad speelt vandaag in het blokuur verzorging voor het eerst een rollenspel rondom het thema verslaving. ``Drink nou toch gezellig een pilsje, joh, ik heb het al voor je ingeschonken'', zegt Jetse Kammeraat (13) in zijn rol van barkeeper tegen zijn klasgenoot die een niet-drinker is. ``Nee, drank is slecht voor je, doe mij maar een Liptonice.'' ``Dat moet je niet drinken, want die hebben een goddeloze reclame'', reageert IJsbrand Slob (13) vanuit een andere hoek van de klas. ``Wie kijkt er nou naar reclame?'' roept weer een ander. Blokhuis heft bezwerend zijn handen in de hoogte. ``Dat is interessant, maar daar praten we een andere keer over.'' Terwijl hij dit zegt gaat onder zijn handen het gesprek door: ``Wat is dat dan voor reclame?'' ``Die van die waterpolospeler die op het water loopt.'' Een gemiste kans voor Blokhuis om in te gaan op wat de leerlingen bezighoudt en raakt. ``Had ik kunnen doen'', zegt hij bedachtzaam, ``maar ik houd me liever aan het boek.''

Docent De Jong houdt er wel van discussies aan te gaan met zijn leerlingen en ze zo aan het denken te zetten. ``Dan vraag ik in de klas: hoe reageer je als iemand zegt `drink nou toch gezellig een glaasje mee', terwijl jij je hebt voorgenomen niet te drinken. Ik stuur dan aan op een antwoord als `Ben ik zonder drank niet gezellig dan? Doe mij maar een colaatje.' Bàf. Discussie gesloten. Zo geef ik ze tips mee voor de praktijk.''

    • Jacqueline Kuijpers