Boren en winnen

Serieus studiemateriaal te over. Des te vreemder dat wat de laatste twee weken door politici, actievoerders en media over proefboringen en gaswinning in de Waddenzee te berde is gebracht, nauwelijks op kennis is gestoeld. `De natuur in de Waddenzee heeft naar verwachting maar minimaal te lijden.'

Wetenschappelijke studies die onweerlegbaar aantonen dat het winnen van aardgas onder de Waddenzee niet tot onherstelbare schade aan de natuur leidt, zijn er niet en zullen er ook nooit komen. Althans niet zolang niet wordt aangegeven binnen welke termijn mogelijke schade moet zijn hersteld en wat precies als aanvaardbaar herstel wordt beschouwd.

Een studie die aannemelijk maakt dat de door de NAM voorgenomen gaswinning nauwelijks of misschien wel helemaal geen bedreiging is voor natuur en landschap in de Waddenzee is er wel: dat is de Integrale Bodemdalingstudie Waddenzee die in maart van dit jaar uitkwam. Het lijvige rapport-met-bijlagen, waaraan een keur van Nederlandse onderzoeksinstituten meewerkte, is de weerslag van een studie waartoe de overheid de NAM in 1994 min of meer verplichtte. In essentie bestaat de studie uit een verzameling deelrapporten die geheel onder eigen verantwoordelijkheid van de diverse instituten zijn opgesteld. De NAM heeft ze gebundeld, voorzien van een korte samenvatting en uitgegeven, ook in de vorm van een heel toegankelijke CD-ROM. En, dat is waar, de NAM heeft de studies betaald: dat wordt inmiddels tegen het bedrijf gebruikt. Bovendien schreef de NAM zelf het hoofdstuk over de bodemdaling die de gaswinning onder de Waddenzee teweeg zou brengen. Dankzij haar uitputtend seismisch onderzoek heeft de NAM nu eenmaal de meeste informatie over de structuur van de ondergrond onder de Waddenzee.

De bedoeling van de overheid was in 1994 dat de IBW-studie in 1999 richting zou geven aan het debat over de voorgenomen gaswinning in de Waddenzee. De inmiddels zo omstreden proefboringen hadden in 1999 al achter de rug moeten zijn. Uit wat er de laatste twee weken over proefboringen en gaswinning en de mogelijke gevolgen daarvan te berde is gebracht, blijkt dat het rapport die rol niet vervult en dat politici, actievoerders en media het zicht op gedane toezeggingen en technische mogelijkheden en onmogelijkheden volledig zijn kwijtgeraakt.

In hoofdstuk twee, `Besluitvormingstraject', had men kunnen lezen dat al in 1994 is afgesproken dat de NAM nooit tot gaswinning in de Waddenzee zou overgaan. Al ruim vijf jaar staat vast dat het waddengas vanaf locaties achter de zeedijken van Friesland en Groningen (niet of nauwelijks zichtbaar vanaf het wad) en vanaf Ameland en twee posities in de Noordzee zou worden gewonnen. Die mogelijkheid bestaat sinds men de techniek van het `gedevieerd boren' (schuin boren) beheerst. Deze techniek wordt in Nederland al een jaar of vijftien gehanteerd.

Wel wilde de NAM zes kortdurende proefboringen op het wad (en bovendien vier binnen de driemijlszone op de Noordzee en een op Ameland) uitvoeren. Proefboringen moeten zekerheid verschaffen over de praktische winbaarheid van de op grond van seismisch onderzoek vermoede gasvoorkomens. Voor proefboringen kan niet schuin naar beneden worden geboord. Het vermoede gasvoorkomen moet zoveel mogelijk recht van boven worden aangeboord, omdat het juist de bedoeling is te achterhalen op welke diepte precies de gashoudende zandlaag begint en hoe dik deze is. Een zeer schuine proefboring zou makkelijk langs het gas kunnen lopen. De toenmalige minister van EZ, Wijers, heeft daarom al in 1996 in principe toestemming voor proefboringen gegeven, maar door juridische procedures en veranderde politieke voorkeuren is het er nog steeds niet van gekomen. Maar zonder die proefboringen kan een gasveld niet in exploitatie worden genomen.

Het is dus onbegrijpelijk hoe politici, op zoek naar compromissen, afgelopen week de NAM enerzijds het aanbod konden doen het waddengas maar vanaf de Noordzee te gaan exploiteren (terwijl dat allang de bedoeling was) en anderzijds uitspraken dat er geen proefboringen mogen komen. Zonder proefboringen kan de NAM alleen die gasvelden onder de Waddenzee in productie brengen waarvan de aanwezigheid al eerder was bevestigd - en waarvoor dus geen proefboringen meer nodig zijn. Dat is, en was al geruime tijd, de bedoeling voor de locaties Paesens, Moddergat en Lauwersoog. Maar van daaruit kan slechts een kleine fractie van het waddengas worden gewonnen.

De ontwikkelingen van de laatste dagen hebben opnieuw duidelijk gemaakt dat in het lopende waddengasdebat de begrippen `boring' en `winning' stelselmatig door elkaar worden gehaald. Ook verwart men het proefboren op de Waddenzee (binnen het gebied waarvoor de Planologische Kern Beslissing Waddenzee geldt) met dat in de `Noordzeekustzone', de driemijlszone op zee die buiten het PKB-gebied valt maar die wel deel uitmaakt van de `ecologische hoofdstructuur'zoals die is gedefinieerd in het Structuurschema Groene Ruimte. Voor beide series proefboringen, die ook technisch enigszins verschillen, zijn in 1995 aparte milieu-effectrapporten (MER's) opgesteld.

tijdelijke kwestie

Waar de feitelijke gaswinning – waarvoor natuurlijk eerst achter de dijk of op de Noordzee een `put' moet worden aangelegd met behulp van een exploitatie-boring – tientallen jaren kan duren, is een proefboring maar een heel tijdelijke kwestie. Voor elk van de zes gewenste proefboringen in de Waddenzee denkt de NAM maar twee maanden nodig te hebben: na afloop van die periode wordt de boortoren weggehaald en is er niets meer te zien. De NAM heeft toegezegd uitsluitend te zullen boren in de periode november-april, als er een minimum aan vogels op het wad is en zeehonden overwegend elders zijn. Ook zal nooit meer dan één boortoren tegelijk in gebruik zijn.

Opzet van een proefboring is om gesteentekernen naar boven te halen en wat gas te verzamelen voor onderzoek. Ook moet met behulp van een `productietest' een indruk worden verkregen van de totale hoeveelheid gas in het reservoir. Het gas dat bij dit soort onderzoek overschiet wordt afgefakkeld, de NAM heeft afgesproken dat dit alleen zal gebeuren als er geen gevaar is voor verstoring van vogels. Een onafhankelijk vogelwachter zal dat beoordelen.

Ook voor het overige heeft de NAM zich bereid getoond aan de meest stringente eisen te voldoen. Er wordt niet gevlogen met helikopters, lichtbronnen worden afgeschermd, geluidsbronnen geïsoleerd. Bij het boren wordt milieuvriendelijke boorspoeling gebruikt die desalniettemin niet op het wad wordt geloosd. Men verzekert dat een eventuele `blow-out' (waarop een kans van 1 per 2000 boringen zou bestaan) geen olie, hoogstens wat condensaat, op het wad zal brengen. Het valt daarom niet goed in te zien wat er voor zwaarwegende bezwaren tegen proefboringen kunnen zijn, anders dan dat boortorens er niet leuk uitzien. Maar hetzelfde geldt voor de honderden windmolens op de waddendijken.

Van belang is dat proefboringen niets te maken hebben met bodemdaling. Bodemdaling is het onvermijdelijk effect van de langlopende gaswinning. De aantekeningen daarover in de IBW zijn van de hand van de NAM zelf, wat het grootste wantrouwen heeft gesticht bij de milieubeweging. Toch zijn de berekeningen voor de geringe verzakking die gaswinning aan de oppervlakte teweegbrengt tamelijk doorzichtig en, zoals het zich laat aanzien, door elke geoloog te controleren.

Bodemdaling aan de oppervlakte ontstaat doordat de zandsteen waaruit aardgas wordt gewonnen bij het geleidelijk teruglopen van de gasdruk compacteert: inzakt of inklinkt. De zandsteen bevindt zich op zo'n drie kilometer diepte en er rusten zware sedimentlagen op. Hoe groot de compactie van een `leeglopende' zandsteenlaag is, blijkt redelijk goed te voorspellen. Hij is praktisch recht evenredig met de dikte van het reservoir en met de drukval (het verschil tussen begin- en einddruk). In de onderhavige formatie, de Slochteren zandsteenformatie, blijkt hij bovendien rechtevenredig met de porositeit van de zandsteen. Hoezeer de zandsteenlaag onder de Waddenzee zal compacteren is dus goed te voorspellen.

Hoe de compactie tot uitdrukking komt aan de oppervlakte is iets minder makkelijk aan te geven. Bij heel grote velden, zoals het Slochteren-veld zelf, is de inzakking aan het oppervlak nagenoeg even groot als in de diepte. Bij kleine velden is hij veel minder, hoeveel minder hangt af van de gesteenten die het reservoir omringen. De NAM hanteert voor haar schatting een model uit 1973 (het Geertsema & van Opstal-model) en voor zover bekend worden haar uitkomsten niet betwist.

Bovendien heeft de NAM naast het meest waarschijnlijke bodemdalingscenario (de base case, op bijgaande illustratie verbeeld) ook nog een maximum case doorberekend waarvoor veel ongunstiger aannames zijn gedaan. Zo wordt er daarbij van uitgegaan dat alle vermoede gasvoorkomen ook werkelijk worden geëxploiteerd en `tot de bodem' leeggehaald. In werkelijkheid is dat maar met de helft van de gasvoorkomens het geval.

foeragerende vogels

Zoals op de illustratie is aangegeven wordt in het base-case-scenario lokaal (bij Ameland) een schotelvormige bodemdaling van zo'n 20 centimeter verwacht. Verder van Ameland is die al veel minder. Hoe gering dat ook moge zijn, bijvoorbeeld vergeleken met het dagelijkse verschil tussen hoog en laag water (ruim twee meter), in principe kan men dit een onaanvaardbaar effect noemen omdat een flink stuk wad per eb-vloedcyclus langer onder water komt te staan dan vroeger. En dus korter beschikbaar is voor foeragerende vogels. Bovendien zou zo'n daling allerlei sedimentverplaatsingen in de omgeving op gang kunnen brengen waarvan de gevolgen niet zijn te overzien.

Het geruststellende is dat deze gevolgen nu juist wèl redelijk zijn te overzien. In het kader van onderzoek naar de zeespiegelstijging door het broeikaseffect wordt al lang heel veel onderzoek gedaan aan reacties van de Waddenzee op zeespiegelstijging (de facto hetzelfde als bodemdaling) en andere grote verstoringen, zoals de afsluiting van de Zuiderzee en de Lauwerszee en de grootschalige winnning van zand. Dat heeft het inzicht opgeleverd dat de Waddenzee bij machte is flinke verstoringen, zoals zandwinning en lokale bodemdaling door gaswinning, op te vangen door tijdelijk extra sediment (zand en slib) te gaan vastleggen. De asymmetrie in de getijdenwerking op de Waddenzee, met een kortdurende felle vloedstroom en een langer aanhoudende kalmere ebstroom, brengt met zich mee dat de Waddenzee van nature geneigd is sediment uit de Noordzee te verzamelen. In theorie wordt bij afwezigheid van enige verstoring, op den duur een evenwicht bereikt waarbij netto geen sediment meer wordt opgenomen. In de praktijk is er een permanent aanwezige verstoring: al meer dan een eeuw is er een constant stijgende zeespiegel. Al die tijd neemt de Waddenzee ook netto sediment op.

De bulk daarvan bestaat uit zand dat wordt aangevoerd van de Noorzeekust van de eilanden. Onderzoekers hebben, onder meer met behulp van historische analyses, aangetoond dat dit reservoir groot en dynamisch genoeg is om ook in de komende decennia grotere verstoringen in de Waddenzee te compenseren (al zal kuntmatige zandsuppletie noodzakelijk zijn om het kustprofiel in stand te houden). Hoe efficiënt het systeem werkt, blijkt uit het herstel van zandwinputten en de goede compensatie van de al langer optredende bodemdaling door de bestaande gaswinning bij Griend (Zuidwal) en op Ameland.

Al met al is de door twee onafhankelijke, empirische modellen (van de Utrechtse universiteit en van het Waterloopkundig Laboratorium) beredeneerde verwachting, dat de bodemdaling zeer aanzienlijk zal worden gecompenseerd als de zeespiegel niet dramatisch sneller gaat stijgen en binnen een halve eeuw zelfs volledig zal zijn weggewerkt. De natuur in de Waddenzee heeft naar verwachting maar minimaal te lijden. Enkele platen zullen bij hoogwater wat langer onder water staan dan voorheen wat uiteindelijk, zoals gezegd, de foerageermogelijkheid van vogels iets verkleint. In het `base case scenario' met het huidige tempo van zeespiegelstijging zal er waarschijnlijk geen meetbaar effect zijn op de vogelstand. Hetzelde geldt voor bodemfauna, vissen en zeehonden. Onderzoekers van het Instituut voor Bos- en Natuurbeheer (IBN) zien, onder een ongunstige combinatie van omstandigheden, hoogstens een lokale bedreiging van kwelders door zogenoemde klifvorming. een bedreiging die, noteren zij, zodra hij zich aftekent makkelijk het hoofd is te bieden door het tempo van gaswinning wat te matigen. `De hand aan de gaskraan' heet dat.

Het ongelukkige is dat er natuurlijk toch allerlei onzekerheden blijven bestaan, nog afgezien van het al zo onvoorspelbare broeikaseffect. De Waddenzee is dynamisch, maar blijkt zo zijn eigen tempo te hebben voor de aanpassing aan verschillende veranderingen. Nu nog reageert het westelijk deel van de Waddenzee op de afsluiting van de Zuiderzee in 1932. Het verwachte verdwijnen van Engelsmanplaat en Rottumeroog kan verschuivingen op gang brengen die ook de bodemdalingsanalyse beïnvloeden. Absolute zekerheden zijn niet te geven en dat biedt de milieubeweging de gelegenheid het `voorzorgprincipe' (bij twijfel geen boring) in stelling te brengen. Het principe is inderdaad nadrukkelijk in de PKB Waddenzee vastgelegd. Wie kennis heeft genomen van de uiterst zorgvuldige analyses uit de Integrale Bodemdalingstudie neigt tot de conclusie dat matiging van het tempo van gaswinning in bijna alle gevallen dreigend gevaar kan afwenden.

    • Karel Knip