Zestien versnellingen

Zijn muze en de magnolia's uit de ateliertuin inspireerden Jaap Hillenius tot een groot schilderij, dat door een dodelijk ongeluk zijn laatste werd.

Op donderdag 26 augustus 1999, ongeveer halfzeven 's avonds, reed een bestelauto van een koeriersdienst op de Amsterdamse Willemsparkweg in de richting van de Amstelveenseweg. Hij koos de voor het verkeer verboden trambaan en scheurde zo hard dat hij een op het kruispunt Willemsparkweg-Cornelis Schuytstraat rustig overstekende fietser niet meer kon ontwijken. De fietser droeg een rose jack en had een tennisracket in z'n schoudertas. Zijn vrouw reed met een vriendin achter hem. ,,Nee, toch!'' zei ze, toen ze hem in het rose vijf meter hoog door de lucht zag zeilen. De man overleed vrijwel meteen aan een schedelbasisfractuur.

In het politiebericht bleef hij naamloos. Er werd gesproken over `een 65-jarige fietser'. Pas later werd bekend dat het slachtoffer de Amsterdamse schilder Jaap Hillenius was. Z'n hele leven deed hij elke dag pogingen om dichter bij de geheimen van de alledaagse blik te komen. Die dag had hij nog gewerkt aan een al afgesproken tentoonstelling die nu tot 29 november in het Museum Waterland te Purmerend is te zien, ruim 40 schilderijen, etsen en aquarellen.

Met de stang van een van zijn drie racefietsen op z'n schouder liep Hillenius om halftien 's morgens een paar trappen af in zijn atelier-woning aan de lichte Zomerdijkstraat in Amsterdam-Zuid. Het was een gele Zielemann met een blauw zadel, zestien versnellingen met bergverzet. Hij had een roodblauwe broek tot de knie aan en een geel shirt met een afbeelding van de Franse bergstreek waar hij in de voorzomer samen met Marja de Ridder had gereden. De hoogte van enkele bergen stond erop, zoals de Alpe d'Huez 1860 meter, de Galibier 2645 meter.

Donderdag 26 augustus was een prachtige dag. Hij stapte op, je hoorde het geklik van schoenen in de pedalen. Zonder z'n vrouw Mies voor het raam tussen het klimop echt te zien, stak hij, zoals altijd, bij de hoek z'n hand op. Ze hadden om drie uur met elkaar afgesproken op het Tennispark Kattenlaan in het Vondelpark, waar ze al 30 jaar elke donderdag met een vast gezelschap speelden.

Hij was 65 jaar, maar had het uiterlijk en de gestalte van een vrolijke jongeman. Die donderdag koos hij de kortste route naar z'n atelier in Loenen. Hij fietste bij het Amstelpark de Rozenoordbrug over en ging bij de Bullewijk de snelweg onderdoor. Lang zou hij die dag niet in z'n atelier kunnen blijven, maar hij ging toch, ook omdat hij in het najaar die tentoonstelling kreeg in Purmerend. Hij zou daar in elk geval drie grote landschappen laten zien en wilde als het maar even kon in hun nabijheid zijn. De kleinere doeken moest hij nog uitzoeken.

Hij kende dit hele gebied, reed vaak langs plekken van het helderste Nederlands, de Voetangelbrug, de Waver en de polder De Ronde Hoep, langs de Winkel, boven de Vinkeveense plassen en zo door langs de Angstel naar Baambrugge. Dit was zijn land. Het licht dat hij hier zag en ook het water, hij probeerde het al zo lang te betrappen, de kleur van bomen en gras ging steeds anders in de rivier op, hij fietste hier door z'n eigen werk. De dochters van zijn jeugdvriend Bauke Marinus had hij eens een tweelingdoek gegeven, Voor en na de boot heette het, het water eerst stil en woest daarna. Hoe valt 't licht op het water, in de herfst, in de lente, steeds zag hij een andere kleur.

Moorkoppen

Dit keer fietste hij langs het Abcoudemeer, bomen, weilanden, schapen, wat nieuwbouw, al jaren wist hij dat z'n mooiste schilderij eens een landschap in de zomer zou worden met mensen onder een boom aan het water, in het zonlicht. 't Was een opdracht die hij zichzelf had gesteld. Het water, het gras en de bloemen op de aquarellen, etsen en kleine doeken, het waren oefeningen voor dat landschap in de zomer, z'n meesterwerk misschien.

In Loenen kocht hij een half bruin brood en een paar moorkoppen. Boter en kaas had hij dinsdag al gekocht. Hij opende een grote deur, duwde z'n fiets naar binnen en liep nu in een verborgen straatje. Rechts was het huis van de architecten Aldo en Hannie van Eyck, van wie hij het atelier, een vroegere botenloods aan de Vecht, al jaren huurde. Het lag een meter of 30 naar links in een weelderige tuin met veel magnolia's. Elektriciteit was er niet. Soms wilde hij een ouder werk, een ets bijvoorbeeld, op een nog wit doek overbrengen. De projector kwam met een verlengsnoer naar het huis van de architecten op gang.

Hij deed de schuifdeuren naar de tuin open en verkleedde zich. Grote plastic lappen hingen tegen de lekkage aan het plafond. Op de muur links schreef hij soms hoe lang hij erover had gedaan om van z'n huis naar het atelier te fietsen. Meestal bleef het onder de 40 minuten.

Een paar koolmeesjes vlogen naar binnen. Een lithopers, een oliekachel. Het atelier van twaalf bij acht meter was stampvol. Bij de tuin stond z'n laatste doek met het aarzelende groen en rose van de magnolia's, veel gele kelken en rechts beneden de schouders, hals en het gezicht van een vrouw. Hij wist nog niet hoe zichtbaar dat moest blijven. Al bijna 25 jaar schilderde hij dezelfde vrouw, zijn muze Marja de Ridder, die hij eens als model op een tekenclubje had ontmoet.

Als ze voor hem poseerde, zat ze met haar gezicht naar de tuin. Dat gezicht had alles. De lijnen in houtskool en dan noteerde hij vlug de kleur, altijd zag die er op een ooglid of neusvleugel anders uit, afhankelijk van het seizoen. De richting van het licht, van een ooghoek naar een jukbeen, naar de kin. Hij vermengde haar met het licht of het water dat hij op z'n fietstochten had gezien, of met een lichtval in de tuin. Aan het eind kreeg je een mengsel van indrukken, het zinderde van licht en kleur, het deed denken aan de stippen die je ziet als je je ogen sluit.

Die morgen werkte hij niet. Over een paar uur moest hij al naar de tennisbaan. Hij dacht na over wat hij de volgende dag wilde doen, een serie van tien, vijftien kleine doeken opzetten, verder wist hij het nog niet. Onverwachts kwam het model op haar racefiets om over het nieuwe werk te praten, morgen, vrijdag, was haar vaste dag. Ze lachten om een oude foto, genomen op een feest, de muze droeg flower power-kleren en had een John Lennon-bril op. Ze hadden het nog even over La Marmotte, de koninginnenetappe van de Tour de France met drie cols die ze in het bijzijn van de schilder had gereden. Hij zag Marja te midden van duizenden fietsers keihard over de dam bij het stuwmeer rijden, na negen uur en 175 kilometer werd ze derde in de categorie 40 plus.

Hij vertelde haar hoe bang hij was in een routine te vervallen, dat hij verlangde naar een nieuw groot doek. Haar bewerkte portretten bleven vingeroefeningen voor het nog onbekende meesterwerk. Vlak naast de deur van het atelier hing een wit schilderij met een zwarte rand. Niet egaal, stippen, zoals altijd. Hij zag het als hij wegging. 't Was een doek dat hij na het overlijden van z'n oudste broer, de schrijver Dick Hillenius, schilderde. Voor Dik - Memento Vivere - Finale 5 mei 1987, had hij er achterop geschreven. Pas tien jaar later werd het voltooid, `mat-vernis 1997'.

Jaap en Marja reden in wielertenue over Abcoude terug, een afstand van twintig kilometer. Hij fietste en schaatste omdat hij in conditie wilde blijven, misschien liet het voorgenomen meesterwerk wel lang op zich wachten. Met Marja had hij drie keer de Elfstedentocht gereden. Hij zag hoe ze op een Italiaanse buitenbaan in de besneeuwde bergen bij Baselga di Pineta met 1.173 rondjes het officieuze wereldrecord marathon op de schaats vestigde, 469 kilometer in 24 uur. In Abcoude was het markt. Ze namen het fietspad langs de Utrechtseweg. Een wipbrug, een paar koepels, een niet eens zo lange fabriekspijp. Bij de laatste splitsing moest z'n model naar Amstelveen. Ze omhelsden elkaar, `tot morgen'.

Snelle fietsers

Hij reed terug naar Amsterdam. Een paar jaar geleden kreeg hij van de Van Eycks z'n mooiste grootsteedse opdracht. De kleuren op de gevel van de Algemene Rekenkamer in Den Haag, aan het Lange Voorhout 8, het gebouw ligt een beetje verscholen achter een hek naast de Kloosterkerk, net als z'n atelier in dat verborgen straatje.

Het eerste ontwerp werd een teleurstelling. Voor de hele blauwgrijze gevel met wijde hoeken ontwierp hij een kleurpatroon en dat was de bedoeling niet. Hij mocht alleen smalle stroken onder de ramen en langs de regengoten gebruiken. Op een fietstocht in de heuvels bij Stavelot vond hij de oplossing. Ineens zag hij de bewegende halve cirkels op de wielen van een groepje snelle fietsers. Die verplaatste hij naar de gevel. Je ziet er in de verticale stroken alleen fragmenten van in verschillende tinten rood, geel, blauw en groen. De voorbijganger vult de ontbrekende stukken in, verbindt de kleuren die hij op de Rekenkamer ziet tot bewegende wielen.

Hij was om ongeveer twee uur thuis. Zijn vrouw had om hem te verrassen op tafel een tijdschrift opengeslagen neergelegd. Het blad had een fotocollage van haar opgenomen. Dat zag hij niet. Hij verkleedde zich die dag voor de derde keer en trok een witte sportbroek en een roze fietsjack aan. Mies was al naar de tennisbaan. Ze gingen er altijd afzonderlijk naar toe. Hij verwisselde de racefiets voor een eenvoudige stadsfiets. Met het tennisracket in z'n schoudertas fietste hij naar de Apollolaan, dan was je zo in de Cornelis Schuytstraat en het park. Jaap Hillenius was zich altijd van zijn blikrichting bewust, op het land, in de stad, waar hij ook fietste of liep. Het ging zelfs zo ver dat hij op een bestaande litho of ets de baantjes kraste die z'n oog over de voorstelling trok, een nagelaten spoor. Zijn broer Dick vond dat onzin. Het was te cerebraal en bovendien waren die krassen niet te controleren. Wie zou er ooit opkomen dat daar zoiets simpels als de bewegende blik mee werd bedoeld?

Toch heeft hij in z'n mooiste werk iets weten te bewaren van de blik die de omgeving steeds anders aantipt. Z'n waaiers van soms bijna contourloze confetti kun je vergelijken met het werk van Georges Seurat, die aan het eind van de negentiende eeuw met het pointillisme begon. De Fransman geloofde dat een toets blauw en een toets geel in het oog van de beschouwer vanzelf groen oproepen. Bij Hillenius staan die duizenden stippen voor iets anders, voor de eindeloze keuzes die je uit je omgeving kunt maken.

Tennis

Het Tennispark Kattenlaan heeft vijf banen. Het ligt door bomen beschut aan de westkant van het Vondelpark, niet ver van de Overtoom. Je kijkt uit op de spitse toren van de Parkkerk, waar vroeger vooral naar Amsterdam getrokken Friezen kwamen. Mies was al om halfdrie op de baan, Jaap kwam tegen drieën, vrolijk als altijd. Ze kenden elkaar vanaf hun zeventiende, hadden aan een half woord genoeg. Hij had talent, maar hij wilde nooit winnen. Altijd speelden ze met een groep vrienden, leraren met wie ze in het onderwijs hadden gezeten.

Ze tennisten tot vijf uur. Daarna zaten ze op het terras voor de kantine. Ze hadden het over de fotocollage, ontkiemende zaden van vergeetmenietjes, mooi dat het blad hem had geplaatst. Mies gaf een rondje, 't was een beetje feest. Thee, wijn, bier en ook nog worst en kaas. Ze lachten, omdat het opengeslagen blad hem was ontgaan, hij zou het straks natuurlijk zien.

Het was kwart over zes geweest. Mies, Jaap en een vriendin liepen naar hun fietsen in de Kattenlaan. Het was spitsuur in het park met al die fietsers, rolschaatsers, honden en kinderwagens. Op z'n doeken zag je soms alleen een werveling van gekleurde stippen en toch hadden ze een heel reëel uitgangspunt. Meestal water, bomen, weerspiegelingen, je zag het ook in het park na een paar bochten, links en rechts. Daar vlak voor de tuin van het Melkhuis glinsterde het water en erachter, aan de andere kant van de weg, je kon het beter een kreek dan een vijver noemen.

Zo werkelijk en dan werd het versluierd, wat hij zag moest door het in kleuren uiteengevallen licht worden bedekt. Op z'n laatste grote schilderij kwam alles samen, de zachte kleuren van de aquarel, de scherpe krassen van de ets, honderden stippen en slierten lijken te aarzelen of ze een vertrouwde vorm zullen aannemen, wijkende voorstelling, zomer in aanbouw. Onder de dichtste wemelingen zie je de luchtige omtrek van een naakte vrouw.

De fietsers bereikten een driesprong, daar waar zes met elkaar verbonden banken om een boom staan. Er werd geaarzeld over welke weg ze zouden nemen. De vriendin wilde als ze het park uit waren naar links, over de Van Eeghenstraat naar de Jacob Obrechtstraat. De weg was opgebroken, maar er lagen planken over het zand. Jaap stelde voor om rechts over de Cornelis Schuytstraat naar de Apollolaan te gaan, zo was hij op de heenweg ook gereden. Mies sloot zich daarbij aan.

Hij dacht er altijd aan, hoe het oog van het een naar het ander springt, of je de ruimte alleen met kleur kon veroveren. Of je iets kon zien voor het zich in het geheugen vastzet, voor het opgaat in de herinnering.

Het was bijna halfzeven. Ze fietsten naar een statige uitgang van het park, geopende hekken tussen vier zuilen. Om z'n beslissing over de route kracht bij te zetten reed hij voorop.

Jaap Hillenius, schilderijen - Museum Waterland, Kaasmarkt 16, Purmerend t/m 28 november. Openingstijden: di-zo 12-17u.

Jaap Hillenius: Het Laatste Grote schilderij (1999) (190 x 260 cm)

Met dank aan Mies Hillenius-Roos, Marja de Ridder en Bauke Marinus.

Elke dag fietste hij door zijn eigen werk naar zijn atelier

    • K. Schippers