Woorden tegen de dood

`Bekennen! Bekennen! Zonder zich schuldig te voelen wil de oude man steeds bekennen.Het is iedereen om het even, maar hij wil bekennen.'

Bekentenisliteratuur in de traditionele zin is Slotsom niet. Staan de Confessions van Jean-Jacques Rousseau vol met intimiteiten en zelfbeklag, bij Elias Canetti (1905-1994) ontbreekt die emotionele toon. Canetti beziet zijn emoties van een afstand en voert zichzelf vaak op als een personage.

Canetti hield ook afstand tot zijn tijd. Hij was een buitenstaander – die zich met alles bemoeide, maar zich niet in een wetenschappelijk keurslijf lietwringen. Hij las bizarre mythen en raadpleegde zijn eigen ervaring. In zijn hele oeuvre gaat belezenheid samen met intuïtief inzicht in de irrationele drijfveren van mensen. Hij verlichtte de Verlichting door zijn licht te laten schijnen over het duistere, het archaïsche, het onredelijke en onberedeneerbare – en hij redeneerde het onberedeneerbare niet kapot. De ziel wilde hij beschermen tegen de ontledingsdwang van freudianen en de mythen tegen de steriliseringspraktijken van structuralisten. Over Claude Lévi-Strauss en de mythen schrijft hij in Slotsom: `Ze worden in stukken gesneden en opnieuw zo gerangschikt dat ze krachteloos worden. Dat proces van mythenvernietiging gaat door voor mythenonderzoek. Hoe kan iemand die duizend mythen verorberd heeft, niet weten dat ze het tegendeel zijn van systeem?'

`Wat bindt je aan mythen?' vraagt Canetti zichzelf, en hij antwoordt: `Ze hebben hun oorsprong niet in beginselen, de beginselen hebben hun oorsprong in de mythen. Als ze wreed zijn, kun je van hen leren hoe afstand te nemen. Als ze hartstochtelijk zijn, leer je van hen liefde. Pover zijn wij, overblijfselen van hen.' Mythen gaan over de levenden èn over de doden, en zijn in Slotsom verzamelde notities schreef Canetti kort voordat hij stierf. De doden, in het Walhalla of in het paradijs, als engelen, demonen of geesten: in mythen leven zij. Wat verlangt Canetti naar de tijden waarin men nog rotsvast in zulke mythen geloofde en hoe ongelukkig is de moderne mens, die aan alles twijfelt. Ook aan het hiernamaals.'Het valt me zwaarder', schrijft Canetti, áf te zien van de onderwereld dan van het paradijs. Ach, de schimmen, als ten minste de schimmen van mijn doden maar bestonden!' Canetti dweept met volkeren die de mythen in ere zouden houden: de zogenaamde natuurvolkeren. `Als ook de lichamen verbeterd konden worden?' peinst hij. `Tot engelen, tot duivels, tot `wildere' rassen? Als de aarde weer bevolkt kon worden met Bosjesmannen en Aranda's? Gevrijwaard van drankzucht en onze ondeugden?' Toch weet hij dat hij zich geen illusies over zulke volkeren moet maken. `Heb ik ze opgegeven? Heb ook ik ze aan hun lot overgelaten? Nee, maar het is vreselijk dan de geredden onder hen net als wij zijn.' De laatste soort die zijn puurheid bewaard heeft is het dier, maar ook dat zal niet lang meer duren.

Over de toekomst van de westerse wereld is Canetti somber, over het verleden vertwijfeld en over het heden wanhopig. De Europese afzijdigheid in Bosnië doet hem, in 1993, braken; te vers in zijn geheugen is nog de Balkanoorlog van 1912. `Je zat op de lagere school toen er geroepen werd: Sarajevo! Nu, bijna tachtig jaar later: Sarajevo! - De mens een houtblok dat zichzelf in het vuur werpt.' Hij, een jood, een vervolgde, betrapt zichzelf soms op haat. Haat die, meent hij, ook zijn schrijfsels vervuilt en besmet. Hij zou grootmoedig willen zijn, mild en vergevingsgezind, maar mededogen met `uitschot' als Hitler en Stalin, dat gaat hem toch te ver.

Hij weet dat de mensheid verloren is en wil haar niettemin redden. Hij wantrouwt de religie, de joodse incluis, maar wil haar toch beschermen. Hij heeft een zwak voor asceten, maar is zelf te hongerig om af te zien van de geneugten des levens. Van al die tegenstrijdigheden is Canetti zich bewust; ze zetten hem aan tot een onophoudelijke zelfondervraging. Een zelfondervraging die al in 1942 begon. Honderden notitieschriften schreef hij sinds dat oorlogsjaar vol en sommige selecties verschenen als boek, zoals, in 1985, Die Provinz des Menschen (1942-1972) en, in 1994, Nachträge aus Hampstead (1954-1971). In Nederland kwam zes jaar geleden Vliegenpijn uit, een keuze uit Canetti's tot dan toe ongepubliceerde notities. Geen enkele van zijn notities ontstond als bijproduct, ze vormen een zelfstandig en consequent voortgezet genre. Een puntig, aforistisch genre, gecompliceerd van stof maar glashelder verwoord. Een onverbiddelijk genre ook, ernstiger en abstracter dan zijn driedelige autobiografie.

Wie iets te weten wil komen over Canetti's kleutertijd in Roestsjoek, Bulgarije, wie kennis wil maken met zijn patriarchale vader en zijn mooie, erudiete moeder: die leze Behouden tong. Wie benieuwd is hoe Elias zijn grote liefde Veza ontmoette, die leze Fakkel in het oor. Wie de sfeer van de vooroorlogse Weense Kaffeehäuser wil proeven, die leze Ogenspel. De hele autobiografie is in de serie Privé-domein herdrukt, dus weer verkrijgbaar.

Op een andere manier dan de autobiografie is ook Slotsom, ontstaan in Zürich, een persoonlijk document. Een man maakt de balans op van zijn denken en verbaast zich erover dat hij zo'n hoge leeftijd heeft bereikt: `Zouden het de woorden tegen de dood zijn die hem in leven houden?'

Elias Canetti: Slotsom. Aantekeningen 1992-1993.

Vertaling W. Hansen.

De Arbeiderspers,

110 blz. ƒ29,90

    • Anneriek de Jong