Voort gaan we, op brieke benen

De tragiek der goede bedoelingen, dat is het thema in de nieuwe kloeke roman van Thomas Rosenboom. Een boek dat zich afspeelt rond 1890 en pendelt tussen de Drentse plaggenhutten en het nieuw te bouwen Victoria-hotel te Amsterdam.

Thomas Rosenboom schijnt alles liever te doen dan schrijven. Dat beweert hij in interviews naar aanleiding van zijn nieuwe roman Publieke werken. Elke afleiding zou hij met beide handen aangrijpen om niet te hoeven doen wat hij zich tot taak heeft gesteld: ten minste één bladzijde literatuur per dag afscheiden, met de grootste inspanning te ontfutselen aan de eeuwigheid, met hoofdpijn tot gevolg.

Dat zal niemand verbazen die wel eens zo'n bladzijde onder ogen heeft gehad. Elke zin van Rosenboom ziet er doordacht uit. Achter de woorden waaruit zo'n zin is samengesteld, lijken andere, verworpen woorden schuil te gaan, die het net niet hebben gehaald in de strijd om de formulering met de grootste zeggingskracht. Wat hij zijn lezers hoopt te bieden, zo onthulde hij een jaar of vijf geleden, na de verschijning van zijn omvangrijke, later bekroonde roman Gewassen vlees (1994), is niets meer of minder dan vermaak. Nog afgezien van het feit dat men een woord als vermaak eerder zal associëren met kermis, cabaret of circus dan met welke zin of passage dan ook van Rosenboom, moet men hem wel prijzen om zoveel nobelheid. Zo'n doelstelling klinkt immers bepaald altruïstisch uit de mond van een schrijver die zijn eigen vermaak vooral zoekt buiten het literaire.

Maar bij nadere beschouwing past deze schijnbare tegenstelling goed bij zijn verknoopte, inmiddels vier respectabele boeken omvattende oeuvre, waarin plezier en smart, geluk en ontgoocheling, dadendrang en passiviteit, overmoed en bescheidenheid hand in hand gaan. Toch valt aan deze opsomming al af te lezen dat het geen onbezorgd divertissement is dat Rosenboom te bieden heeft. Comfortabel achteroverleunen is er niet bij, er wordt een voortdurend appèl gedaan op het gemoed van de lezer. Er kan om gehuild worden en gelachen, gefronst en geglimlacht, gehuiverd en soms ook even herademd, maar vooral wordt men door dit werk tot het uiterste getergd, misschien zoals de schrijver zelf erdoor getergd werd tijdens het schrijven. De kwelling van de lezer duurt natuurlijk wel veel korter dan die van de schrijver, maar daar staat tegenover dat hij de touwtjes van zijn gestaag vorderende schepping in handen had, terwijl wij er willoos aan zijn overgeleverd. We kunnen wel `nee' roepen, een primitieve reactie waarop ik mezelf bij het lezen regelmatig betrap als er weer eens een pijnlijke situatie dreigt (een amateuristische zelfbesnijdenis, masturbatie in het openbaar, een veel te lang durende monoloog, een klysma met slootwater, een jammerlijk mislukkende audiëntie bij een hooggeplaatste, een heilzame dronk uit een emmer pies om een bescheiden greep uit het enorme aanbod te doen), maar we zullen er toch doorheen moeten, desnoods met ingehouden adem. Rosenboom weet zijn lezers, zijn slachtoffers zou ik haast zeggen, nadat ze hun aanvankelijke verzet tegen zijn talige buitenissigheden hebben opgegeven, van begin tot het meestal bittere einde te kluisteren, te vermaken, in zijn eigen woorden.

zijn nieuwe historische roman Publieke werken koos Rosenboom voor een dubbelperspectief. De twee hoofdpersonen, neven van elkaar, komen om de beurt aan bod, de een opererend vanuit Hoogeveen, de andere vanuit Amsterdam. Ze zijn allebei rond de zestig. Aanvankelijk maken Chris Anijs, zoals de Hoogeveense apotheker heet, en de Amsterdamse vioolbouwer Walter Vedder nog wel een redelijk normale indruk, maar spoedig blijken er addertjes onder het gras te zitten. De dubbele geschiedenis die in de loop van de roman met meesterhand in elkaar geschoven wordt, speelt zich af omstreeks 1890. De Drentse veenafgravingen en het armetierige bestaan van turfstekers in plaggenhutten, de bouw van het prestigieuze Victoriahotel tegenover het Amsterdamse Centraal Station en de commotie die dat in stad en land teweeg brengt, vormen de ingrediënten van de roman.

Rosenboom plaatste de sociaal bewogen en licht ontvlambare Anijs en Vedder in dit negentiende-eeuwse kader als ooggetuigen en katalysatoren. Gaandeweg ontpoppen ze zich als onvervalste en dus tamelijk hopeloze Rosenboompersonages: overlopend van dadendrang, maar daarbij vaak meteen de eigen glazen ingooiend, ijdel en bescheiden tegelijk, gewiekst en eerlijk, potsierlijk, maar ook sympathiek. Het glanzende vollemaansgezicht van de apotheker wordt, weinig vleiend, vergeleken met de `door de streling van vele handen vet geworden bol onderaan de trapleuning.' Over het leven van de al even opgewonden Vedder wordt gezegd dat het in het teken staat van het uitroepteken, `wat volkomen overeenstemde met zijn vurige temperament en voorkomen'. Onder het pseudoniem Veritas maakt hij zich in artikelen druk over de bouw en de locatie van publieke werken als het Concertgebouw, het hotel American en de tegenoverliggende Stadsschouwburg, maar hij raakt in een permanente staat van overspanning wanneer blijkt dat men zijn huis wil opkopen en slopen, om er het Victoriahotel te kunnen bouwen. Tijdens de onderhandelingen houdt hij mede namens zijn oude buurman die hem daartoe argeloos volmachtigde, zolang voet bij stuk, met zo'n onrealistisch hoge vraagprijs, dat de twee oude huizen tenslotte in de gevel van het hotel opgenomen worden. Hij en zijn buurman blijven met lege handen achter, met alle rampzalige gevolgen vandien.

lleen al de adembenemend mooie proloog, het visitekaartje van Rosenboom, nam mij meteen in voor Publieke werken, maar ook daarna stelt de roman nergens teleur. De afwisseling van dorpse en stedelijke verwikkelingen geeft de lezer telkens de gelegenheid om bij te komen van de juist doorstane emoties. Ook de vracht aan intrigerende en fraai uitgewerkte motieven variërend van onvruchtbaarheid tot levensverzekeringspolis en van landverhuizing tot de ruis in een viool leidt de aandacht een beetje af van de rampen die zich vroeger of later zullen voltrekken. De koortsachtige activiteiten die Vedder in Amsterdam ontplooit, gericht op onduidelijke sociale en maatschappelijke belangen, leiden tot niets. Zij vinden een mooie tegenhanger in de al even impulsieve strevingen van Anijs om de veenarbeiders die er, zoals hij zorgelijk vaststelt, uitzien `of zij heel de winter hooi hadden gegeten', uit hun kommervolle staat te verheffen.

Tijdens zijn bezoeken aan `het Veld' gaat Anijs regelmatig zijn bevoegdheden als apotheker te buiten, door zonder doktersrecept medicijnen te verstrekken en kleine, medische ingrepen te verrichten. Tot de tragikomische hoogtepunten van de roman behoort de beeldende beschrijving van de bevalling van veendochter Johanna, waarbij Anijs een beslissende punctie verricht. Het gehandicapte, doodgeboren kind wordt meteen begraven. Zij blijft, nadat ze tijdens de bevalling door een menigte veenbewoners is gadegeslagen als betrof het een voorstelling, letterlijk en figuurlijk leeg in het bed achter. `Het was afgelopen; dof klosten de klompen over de vloer; men ging naar huis. Wit als een schoongelikt bord bleef Johanna achter, wezenlozer naarmate de kamer leegliep: een boek van losse vellen was zij, en bij het weggaan nam iedereen een blaadje van haar mee. Toen ook de laatste naar buiten stapte was alleen het lege omslag nog van haar over, zelf was zij tot in haar intiemste wezen uitgedeeld, verwaaid over aller oren, opgezogen door aller ogen, publiek bezit geworden, een beeld in het algemene geheugen zoals zij nu gezien was, zou men in de toekomst aan haar denken, en daarmee behoorde zij op dit ogenblik in zekere zin al tot het verleden...'

Het is niet eenvoudig het schrijverschap van Rosenboom te karakteriseren, of te plaatsen. Het is niet gangbaar, in elk geval. Met zijn wikkende en wegende stijl, zijn trage manier van vertellen en zijn voorkeur voor historische, of documentaire stof, sluit hij eerder aan bij oudere schrijvers dan bij een jongere garde, uitgezonderd misschien P.F. Thomése, die ook liever terug- dan vooruitkijkt en die een enigszins vergelijkbare, gedragen stijl aanwendt. Van schrijvers als Zwagerman, Grunberg of Palmen, die middenin het hier en nu staan en daarvan op vlotte en voor iedereen begrijpelijke wijze kond doen, is Rosenboom ver verwijderd. Ook met een oeuvrebouwer als Van der Heijden heeft hij weinig meer gemeen dan een metaforische inslag en een zekere wijdlopigheid. Maar waar Van der Heijden breeduit en gretig vertelt, daar is de voortgang bij Rosenboom eerder zoekend, proevend en tastend te noemen. Hij is een beschouwer, geen echte verteller, al is hij mèt die beschouwelijke instelling zeker tot mooie verhalen in staat. Aan Brakman valt dan nog eerder te denken, met een vergelijkbare, stilistische brille en een vergelijkbare hang naar woorden die als `gewestelijk' te boek staan, of die men niet eens in een woordenboek kan terugvinden. Maar waar men bij Brakman nog wel eens door het vangnet van zijn verbeeldingsdraden heenvalt, omdat men hem even niet meer kan volgen, daar is er bij Rosenboom geen ontkomen aan: hij houdt ons op het rechte pad, dat naar de zoveelste onaangename situatie voert.

Met de door hem bewonderde Hermans heeft Rosenboom de hang naar een spannende intrige gemeen, de noodlottige ontknoping, de onafwendbare catastrofe, waarin de lezer, of hij wil of niet, wordt meegesleurd. Een in het oog springend verschil is dan weer zijn zintuiglijke, exuberante stijl, die sterk afwijkt van de overwegend sobere stijl van Hermans, bij wie men vergeefs zal zoeken naar een impressionistische lenteontboezeming als deze, uit Vriend van verdienste: `Het was een botten en bloeien allerwege, de bloesemende perelaars ruisten in de onstuimige wind. Reeds vlokten de rose schutblaren in schokkelende tuimel door de bongerd, het gras bespikkelend waar ze vielen'.

Reviaanse invloeden vallen eigenlijk alleen maar te bespeuren in Rosenbooms debuut, de verhalenbundel De mensen thuis (1983), waarin een Werther Nielandachtige jongen figureert, die met zichzelf en anderen in het reine probeert te komen, zonder veel succes. Ook tussen Mulisch en Rosenboom, om de vergelijking met de grote drie nog even af te ronden, valt weinig overeenkomstigs te bespeuren. Hooguit zou je kunnen zeggen dat Rosenboom wel over een vergelijkbare helderheid beschikt, ook in compositorisch opzicht, maar niet over diens rotsvaste zekerheden. Waar men zich bij Mulisch uiteindelijk veilig kan voelen in een universum dat hemel en aarde in een stevige greep houdt, daar staat men ondanks zijn vernuftige formuleringen bij Rosenboom in zijn eigen woorden toch vooral op brieke benen.

Dat is ook het tergende van dit schrijverschap: op brieke benen gaat het maar voort, terwijl we er zo graag eens bij zouden gaan liggen, om de rokende puinhopen die achter ons liggen eens even rustig te laten uitdoven. Elke zin van dit oeuvre dringt aan op aandachtige lezing, terwijl je er het liefst, met lichtjes afgewend hoofd, zo'n beetje overheen zou lezen om aan de toenemende beklemming te ontkomen.

Ieder verhaal, elke roman van Rosenboom staat vanaf de eerste bladzijde in het teken van de opwinding, en daarmee meteen ook in het teken van snel wisselende gemoedsstemmingen. Die stemmingen golven heen en weer tussen absolute nederigheid en grenzeloze overmoed. Neutrale stemmingen kennen zijn personages eigenlijk niet. Neem bijvoorbeeld de twaalfjarige Timon uit De mensen thuis, die zichzelf vanaf het begin bijkans onder stroom zet met zijn voortjagende gedachten, die voor hem ook meteen halve realiteiten lijken te worden. Hij hoeft maar even naar een beuk te kijken, om zich van alles en nog wat in zijn hoofd te halen: de machtige, stokoude beuk met zijn trotse rode kruin, waarvoor hij eerst alleen maar ontzag voelt, verandert voor zijn geestesoog in een bezield wezen. Hij wordt een dier, een weerloos kuikentje om precies te zijn, dat in hem een moeder herkent en door hem verzorgd wil worden, voor eeuwig en altijd. Al gauw realiseert hij zich met schrik wat deze transformatie van beuk tot boomkuiken inhoudt en dan nemen zijn gedachten een nieuwe, boze vlucht, waarin overdrijving de boventoon voert. `Een kuikentje dat achter hem aan liep zou hij kunnen verdragen', zo overweegt hij, `maar nu had hij een oude, tot dankbaarheid onbekwame boom te verzorgen gekregen. Vanaf nu was het sloven, tobben, zorgen en redderen, gekoeioneerd worden en zonder klagen zijn best doen, elke dag weer, zwoegen voor het loon van de wereld, net zolang tot niets het nog zou kunnen vergelden en het nooit meer goed kon komen.' Om zich weer te kunnen bevrijden van dit ongewenste boomkuiken, komt hij in opstand tegen de boom, die weerloos blijkt tegen de stokslagen die hij hem vervolgens toedient. Hij zou hem zelfs in het geniep kunnen doden, met een zaag of met vergif, bedenkt hij dan. `De bladeren zouden verslappen, daarna verbleken, en uiteindelijk afvallen, van verre zou men het opmerken, maar niemand die wist dat het allemaal kwam door hem, een jongetje van twaalf jaar.' En zo komen in een bestek van enkele bladzijden zeer uiteenlopende gemoedstoestanden voorbij: eerbied wordt omgezet in moederliefde, moederliefde in afkeer, afkeer in wreedheid. En dit is nog maar de opmaat tot veel meer en erger leed.

De wispelturige jongen uit het debuut keert in verschillende gedaantes en onder verschillende omstandigheden steeds weer terug in de andere boeken van Rosenboom. Zoals hij vervuld is van goede bedoelingen om de goedkeuring te verwerven van `de mensen thuis', zo is het ook gesteld met de zestienjarige Theo uit de huiveringwekkende roman Vriend van verdienste en de vijfendertigjarige Willem Augustijn uit Gewassen vlees. Vergeefs proberen zij zich geliefd te maken bij vrienden, verloofde, vader, buren en anderen, maar keer op keer worden ze afgewezen, omdat ze eenvoudig niet weten hoe ze hun goede bedoelingen in de praktijk moeten brengen. Dat is de grote tragiek die ten grondslag ligt aan het oeuvre van Rosenboom: ondanks haast bovenmenselijke inspanningen slaagt geen van zijn hoofdpersonen erin – de hedendaagse psychologie zou hier vermoedelijk spreken van `onveilige binding'– werkelijk aansluiting te vinden bij anderen.

Die tragiek – die ook de hoofdpersonen van Publieke werken terneerdrukt – wordt nog eens versterkt door het bijzondere taaleigen van Rosenboom, dat alles tot een soort stemmingsmuziek verhevigt. Men haalt niet iets uit zijn zak, maar `brengt' iets `op'. Men is niet gekleed, maar `gekloft' en stapt niet op iemand af, maar `treedt voor' die persoon. Iemand die te veel gedronken heeft, heet `zwaar bij drank'. En als gezegd wil zijn dat er al dagenlang niets gebeurt, dan staat er: `Sluik draalden de dagen aan'. Wie zich eenmaal gewonnen heeft gegeven aan deze plechtige stijl, gaat zich vanzelf verheugen, op al die wonderlijke woorden, al die ongebruikelijke zinsconstructies en op al die alliteraties en metaforen. `Gevrijwaard van lak en licht was het oude hout nooit verkleurd,' zo wordt bijvoorbeeld liefdevol opgemerkt over een viool, `en blank gebleven als billen in de broek.'

Publieke werken is een exuberante en explosieve roman, zoals we dat van Rosenboom gewend zijn, maar op een bepaalde manier is hij toch ingetogener dan zijn voorgangers. Ontegenzeggelijk bevat hij bijvoorbeeld veel minder onsmakelijke details. De beklemming schuilt nu helemaal in het psychologische, in een alom heersend onbegrip, in misverstanden, in eenzaamheid en in het schrijnende gebrek aan liefde, aandacht en genegenheid waaronder de romanfiguren gebukt gaan. Dat het slecht zou aflopen met Anijs en Vedder, die onvergetelijke antihelden, was van meet af aan duidelijk. Maar dat daaruit, op miraculeuze wijze, toch nog iets moois opbloeit voor de veenafgravers, is een welverdiende toegift voor de trouwe lezers die zich tot het eind toe gruwelijk hebben geamuseerd met deze nieuwe, wonderschone turf van Rosenboom.

Thomas Rosenboom: Publieke werken. Querido, 472 blz. ƒ47,50.

    • Janet Luis