`Van binnen voel ik woede'

Tijdens de burgeroorlog in Kongo-Brazzaville raakte Emmanuel Dongala (59) alles kwijt, precies zoals hij in zijn roman Het vergeten kind had voorzien. Dankzij Philip Roth kon hij uitwijken naar New York. Hij is woedend om wat er in Afrika gaande is. ``Ik wil laten zien wat er achter de schermen gebeurt.''

Twee jaar geleden brak in Kongo-Brazzaville de burgeroorlog uit, precies op het moment dat Emmanuel Dongala (59) de laatste hand legde aan zijn derde roman Het vergeten kind. ``Het leek een regelrecht vervolg op mijn boek, maar desondanks overviel het me'', zegt Dongala, die in Nederland is wegens de vertaling van Les petits garçons naissent aussi des étoiles, zoals de oorspronkelijke titel luidt.

In Het vergeten kind schetst Dongala een vlijmscherp en geestig portret van de politieke geschiedenis van zijn geboorteland. Zijn hoofdpersoon is een opgroeiende Kongolese jongen, die zich verbaast over de snelheid waarmee verschillende staatsvormen, geestdriftige leiders en politieke partijen elkaar afwisselen: koloniaal bewind, onafhankelijkheid, militaire coups, marxistisch-leninistische parti unique en uiteindelijk democratie. Bovendien valt hem op dat de regimes wel veranderen, maar niet de hoofdrolspelers. Zijn oom Boula Boula bijvoorbeeld kende hij eerst als een goed van de tongriem gesneden, malafide sjacheraar. Vervolgens zag hij hem op de televisie als machtig man in de marxistisch-leninistische volkspartij. Daarna verdween oom, als verguisde couppleger, achter de tralies om, na de uitschrijving van algemene verkiezingen, terug te keren als enthousiaste oprichter van een nieuwe democratische partij – één van de zevenenzeventig.

``De verkiezingen van twee jaar geleden liepen volledig uit de hand'', zegt Dongala, voormalig hoogleraar scheikunde aan de universiteit van Brazzaville. ``Het begon met ruzie over de uitslag, daarna ging men met elkaar op de vuist en uiteindelijk greep iedereen naar de wapens. In de chaos werd er geplunderd. Ik ben alles kwijtgeraakt. Mijn huis is in brand gestoken. Het is een vreemde gewaarwording om van het ene op het andere moment niets anders te bezitten dan de kleren die je aanhebt. We hadden honger. Onze medicijnen tegen de moeraskoorts, een dodelijke ziekte, raakten we kwijt. Mensen werden vermoord als ze bij wegversperringen geen duizend Kongolese francs (ongeveer twee kwartjes) konden betalen. Het was absurd. Ik heb geluk gehad. Na vijf maanden heeft een Amerikaanse vriend (de schrijver Philip Roth – MD) ons uit het land weten te krijgen. Sindsdien woon ik met mijn vrouw en drie dochters in New York, waar ik scheikunde en Afrikaanse literatuur doceer. Mijn moeder heb ik achter moeten laten.''

In eerste instantie wilde Dongala naar Frankrijk vluchten. In Kongo bezocht hij het lycée français, later studeerde en promoveerde hij in Montpellier en de Franse literaire academie ridderde hem tot Chevalier des arts et des lettres. Toch mocht hij twee jaar geleden Frankrijk niet in.``Een visum voor Frankrijk is even moeilijk te krijgen als een visum voor de maan'', zegt Dongala gemaakt onverschillig, ``gelukkig vond de Franse pers het een schandaal. Dat was hartverwarmend.''

In de VS voelt Dongala zich geen balling. Hij gunt zichzelf een paar jaar om ``zijn batterijen weer op te laden'' en gaat dan weer naar Kongo terug. ``Ik heb geen politieke problemen'', zegt hij, ``ik ben nooit lid geweest van een politieke partij en dat weet ook iedereen. Maar de burgeroorlog is nog niet ten einde. Het hele hart van Afrika staat in vuur en vlam. De onlusten in Kongo hangen samen met die in Zaïre, Angola en Ruanda – er moet een allesomvattende oplossing worden gezocht. Als schrijver wil ik laten zien wat er verborgen blijft, wat er achter de schermen gebeurt. Mijn medeburgers zijn veel te druk bezig te overleven en brood op de plank te krijgen. Ze hebben geen zicht op de dubbele agenda van politici. In Kongo is alles politiek. Alle kleine jongens willen politicus worden, want daar wordt het geld verdiend. Het democratische principe dat je als politicus je volk moet dienen, is bij ons nog onbekend. Als politicus geef je orders.''

Oom Boula Boula is in dat opzicht een kostelijke karikatuur. Hij munt uit in hielenlikkerij, valse beloften en grove leugens. Als secretaris van de marxistisch-leninistische partij laat hij, met geld dat hij onder valse voorwendselen aftroggelt van de lokale bevolking, een groot stuk tropisch regenwoud kappen om er een stadion te bouwen. Dit kostbare megaproject dient om er, voor slechts één dag, de partijleider te ontvangen ter gelegenheid van de verjaardag van de revolutie. Later wordt Boula Boula slachtoffer van een schijnproces. De getuigen zijn gemarteld en de procedure is doorgestoken kaart. Het vonnis luidt levenslang - dat stond al van te voren vast. ``Boula Boula is een opportunistische schoft, een leugenaar en een dief'', zegt Dongala, ``maar hij is echt. Hij staat met beide benen in de corrupte Afrikaanse realiteit. Om je hoofd boven water te houden, moet je zo zijn als hij. Onze rechtspraak is niet onafhankelijk. Als iemand iets tegen je heeft, knutselt hij gewoon een aanklacht in elkaar. In zo'n proces ben je verloren.''

Moreel tegenwicht vindt de jongen bij zijn vader en grootvader, beiden onderwijzers en geboeid door kennis en wetenschap. De vader leest Science et vie, studeert natuur- en scheikunde en is een hartstochtelijk astronoom. Hij wil niets te maken hebben met politiek en trapt op een botte manier tegen machtige schenen, wat hem op een arrestatie komt te staan. ``Leren en observeren, dat krijgt de jongen mee van zijn vader. Het is een beetje mijn alter ego'', geeft Dongala toe. ``De vader is een man van de moderne tijd, hij voelt zich thuis op de snelweg van menselijke kennis. De grootvader vertegenwoordigt de Afrikaanse traditie. Op zijn sterfbed geeft hij de jongen zijn nkissi nkondi, Afrikaanse beeldjes die van generatie op generatie worden doorgegeven en die hem moeten beschermen. In de jongen versmelt de Afrikaanse cultuur met de kennis van nu. Alleen zo kan hij deelnemen aan wat ik de dans van het universum noem. Beide culturen, beide vormen van kennis heeft hij nodig om zich in de wereld staande te houden. ''

Poëtisch of sarcastisch, Dongala's toon blijft altijd licht. ``Met humor kun je mensen tot lezen verleiden. Je geeft een bittere pil een suikerzoet laagje. Maar van binnen voel ik woede. Mijn verhalenbundel Jazz et vin de palme (1982) is in Kongo niet voor niets verboden. Het zijn verhalen uit de werkelijkheid, over valse processen en corruptieschandalen – uitingen van mijn razernij, van mijn opstandigheid. Ik heb altijd geweigerd lid te worden van de marxistisch-leninistische partij, heb me altijd hardgemaakt voor de oprichting van vakbonden en beroepsbelangengroepen. Toch ben ik nooit gearresteerd. De staatsveiligheidsdienst heeft wel mijn familie en al mijn vrienden ondervraagd – een stasimethode, bedoeld om mij te isoleren en angst aan te jagen. Gelukkig was mijn werk vertaald en had ik vrienden in het buitenland. Dat heeft me gered.''

Vanaf januari kan Dongala zich, dankzij een beurs van de Guggenheim Foundation, aan een volgend boek wijden. Dat het zal gaan over wat hij meemaakte, staat wel vast. ``Twee jaar geleden bepaalden bewapende jongens van twaalf jaar of ik zou leven of zou sterven. Vroeger werden kinderen beschermd. Nu zijn ze soldaten in de legers van Sierra Leone, Kongo of Oeganda. Als je zo jong mensen vermoordt en verkracht, behoor je tot een verloren generatie. Dat is een fatale onderbreking in de overdracht van cultuur, normen en waarden. Het kind als slachtoffer, daar lig ik wakker van.''

Emmanuel Dongala: Het vergeten kind (Les petits garçons naissent aussi des étoiles). Vert. door RTC Frans, Groningen, onder leiding van Pauline Sarkar. Van Gennep-Novib-Ncos,

303 blz. ƒ39,90

De bundel `Crossing Border' (samengesteld door Judith Uijterlinde, Van Gennep-Novib) bevat van Dongala `A love supreme', een verhaal uit `Jazz et vin de palme', vertaald door Manik Sarkar.

    • Margot Dijkgraaf