Schrijver met den mitrailleur

Het aantal gepubliceerde ego-documenten dat na de oorlog over de bezettingsperiode verscheen, is na meer dan vijftig jaar aangegroeid tot een aanzienlijke stapel. De dagboeken van Anne Frank en Etty Hillesum, de memoires van Weinreb, tot en met de jongensboekachtige herinneringen van `soldaat van Oranje' Erik Hazelhoff Roelfzema toe, alllemaal geven ze vanuit hun eigen optiek inzicht in een aspect van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Compleet is dat beeld niet. Tussen al die publicaties zocht men tevergeefs naar de stem van de `andere kant': de NSB'ers, de SS'ers, de Jeugdstormers, de `Koenraads' van de Nederlandsche Arbeidsdienst. Weliswaar schreef de inmiddels in vergetelheid geraakte schrijver Jan H. Eekhout in 1954 zijn apologetische Vlucht naar de vijand, waarin hij rekenschap gaf van zijn NSB-verleden en waarvoor Anton van Duinkerken nog een sympathieke inleiding schreef, maar hij deed dat in romanvorm en verschool zich achter hoofdpersoon Paul Nijland. In 1967 volgden Armando en Sleutelaar met hun boek De SS'ers, waarin anoniem een aantal Oostfrontstrijders aan het woord kwamen, al dan niet aan het spreken gebracht met flinke glazen alcohol. Toch bood juist dit boek voor het eerst een blik achter de schermen van het nationaal-socialistische milieu. De nationale verontwaardiging was groot (`ze hadden niets geleerd') en verklaarde ook meteen waarom in Nederland getuigenissen vanuit die hoek, afzonderlijk en niet voorzien van commentaar, werden gemeden.

Niettemin werd het historische belang van de `bruine getuigenissen' al vroeg ingezien. Kort na de oorlog nam het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, voorheen RIOD, het initiatief om enkele kopstukken onder de politieke delinquenten aan te zetten tot het schrijven van hun herinneringen. Sommigen deden dat en menig historicus heeft in de loop der tijd daarvan voor zijn onderzoek graag gebruik gemaakt. Met de publicatie van Leven in tweespalt, de memoires van de Nederlandse nationaal-socialist George Kettmann, onderneemt uitgeverij Flanor voor het eerst een poging een dergelijk document voor een breder publiek toegankelijk te maken.

De geschriften van deze dichter, journalist en uitgever zijn de moeite van het lezen waard. Hij stond met zijn neus bovenop de opkomst en ondergang van het Nederlands fascisme hij was medeverantwoordelijk voor de culturele vormgeving ervan. Het is een compilatie van twee onuitgegeven typoscripten die hij in gevangenschap op papier zette. In Op zoek naar een haven uit 1949 verklaart hij waarom hij destijds een knieval voor het nationaal-socialisme maakte. Tweespalt tussen NSB en SS (1953) zette hij op papier na een verzoek van het RIOD om zijn visie te geven op de ideologische verschillen tussen de beide groeperingen. Kettmann had hierover wel wat te melden, omdat hij zelf het slachtoffer was geworden van deze stammenoorlog.

Strijdverzen

Vanaf het begin was Kettmann hoofdredacteur van het NSB-weekblad Volk en Vaderland (Vova), waaraan hij verbonden bleef tot en met 1941. In het eerste nummer dat op 7 januari 1933 verscheen, schreef Kettmann: `Wij zullen er wel voor zorgen, dat dit weekblad geen sluimerrol wordt, waartegen men het hoofdje vlijt, om voldaan te dutten, nadat wij den braven burger weer wat sensatie hebben bezorgd. Wij schrijven regels van prikkeldraad – wij schrijven met den mitrailleur van onzen geestdrift in het vuur van onze verontwaardiging.' Een tam blaadje werd het dan ook niet. NSB-leider Anton Mussert, die aanzienlijk aan het blad verdiende, liet de redactie geheel aan Kettmann en enkele medewerkers over. Onder hen was bijvoorbeeld Kettmanns vriend Maarten Meuldijk, de politiek tekenaar van de NSB.

Vova was het strijdblad van de beweging, waarmee druk in den lande gecolporteerd werd. In 1935 liet de toenmalige minister van Justitie Van Schaik de persen van het Utrechts Dagblad, waarop het blad gedrukt werd, verzegelen. Het lukte de NSB'ers echter elders drukkers te vinden die bereid waren het verbod te trotseren. Toen vanaf november 1936 de NSB het Nationale Dagblad in het leven riep onder leiding van Rost van Tonningen, kostte dit Vova veel kopij, maar het maakte het blad niet minder strijdbaar. Pas in de loop van 1940 schoof het blad der beweging naar het niveau van NSB-staatscourant.

Kettmanns uitgeverij, De Amsterdamsche Keurkamer, was eveneens een vroeg product van zijn nationaal-socialistische geest. In 1932 begon deze onderneming een mager biografietje van Mussolini en langzamerhand groeide het fonds met werken van uiteenlopende aard en auteurs van divers pluimage. Wat hierbij opvalt is het aantal bundels galmende strijdverzen, die sterke overeenkomst hebben met de `rode' poëzie uit die dagen. Van Kettmanns eigen hand was de eerste bundel nationaal-socialistische gedichten uit 1935, De jonge leeuw, en een jaar later presenteerde hij voor het eerst een groepje jonge `Dietse' dichters in de bundel Ochtend-appèl. De kritieken, waaronder die van Menno ter Braak, waren vernietigend, maar de verkoopcijfers vertoonden een heel ander beeld. Kettmann relativeert dit in zijn geschriften: `Overigens zegt het debiet weinig omtrent de waarde, even weinig als de critieken: de kopers waren medestanders en de critici politiek-vijandigen'. De Amsterdamsche Keurkamer zou het grootste literaire aandeel leveren binnen het Nederlands nationaal-socialisme met werk van geloofsgenoten als Steven Barends, Martien Beversluis, Henri Bruning, Nico de Haas, Rob Delsing, George de Sévooy en Johan Theunisz.

Van Kettmann was ook het eerste en enige nationaal-socialistische toneelstuk, De dag die komt, in 1934 opgevoerd door de toneelgroep Fascio onder leiding van Jan C. de Vos. Het culturele klimaat was binnen de NSB-kringen nog niet van dien aard dat men er het belang van inzag. Financieel gerommel en kleine partijpolitiek zorgden dat het initiatief na twee maanden strandde.

Meer succes had Kettmann toen hij de gelegenheid kreeg Hitlers Mein Kampf in Nederlandse vertaling uit te brengen. Ook dat ging niet vanzelf. Een vertaling die niet deugde, geldschieters die dwars lagen waren er de oorzaak van dat de uitgave onder de titel Mijn Kamp pas in december 1939 het licht zag. De eerste druk met een oplage van 3000 exemplaren vloog weg en een tweede volgde spoedig, maar toen was het nationaal-socialisme in Nederland al dagelijkse praktijk geworden. Met het succes van Mein Kampf had Kettmann meer financiële armslag waardoor hij in staat was meer risicovolle uitgaven te financieren. Bovendien bezorgde het boek van de Führer hem binnen bruine kring en bij de nieuwe machthebbers veel prestige.

Dat kwam hem goed van pas toen hij in 1942 uiteindelijk in botsing kwam met Mussert, die hij verweet alleen de staat en de macht te zien, waar Kettmann `het volk en zijn mythe' zag. Hij besefte dat de `Germaanse Revolutie' niet binnen de NSB te beleven zou zijn en radicaliseerde. Zijn val volgde nadat hij in 1942 was gevraagd hoofdredacteur te worden van het virulent antisemitische weekblad De Misthoorn, een blad dat al voor de oorlog de walging opwekte omdat het als twee druppels water leek op de Duitse Der Stürmer van Julius Streicher. Kettmann gebruikte dit als instrument om te polemiseren tegen de burgerlijke geest die in de NSB waaide. Het bleek wel dat hij daarmee zijn politieke hand volledig overspeelde. Het was te verwachten dat Mussert actie zou ondernemen tegen zijn kameraad van het eerste uur en daarop hoefde hij niet lang te wachten. In september werd Kettmann met enkele medeplichtigen uit de NSB geschopt en moest hij hals-over-kop het land verlaten. Voor NSB-leden waren zijn boeken voortaan verboden lectuur. Ternauwernood kon hij nog als SS-oorlogsverslaggever terecht.

Mussert

Kettmaan zag Nederland pas na de oorlog weer terug. Zijn uitgeverij liep nog wel door en werd tot aan het faillissement in 1944 geleid door zijn vrouw. Tenslotte kon ook de verkoop van Mein Kampf de uitgeverij niet meer redden. De Amsterdamsche Keurkamer ging eind 1944 failliet.

Na lezing van Kettmanns memoires krijgt men meer inzicht in de motieven van de zwarte revolutionairen. Ook wordt duidelijk waarom hun strijd in Nederland voor de `nieuwe mensch' niet anders kon dan falen. Zijn scherpe observaties van bijvoorbeeld Mussert en andere NSB-prominenten, zijn schets van de vooroorlogse schermutselingen en de daarna volgende vergeefse machtsstrijd van de beweging tijdens de bezetting, maken Kettmanns geschriften tot fascinerende lectuur.

Na lezing van deze memoires krijgt men bovendien veel meer inzicht in de motieven van de Nederlandse zwarte revolutionairen. Uit onvrede met de Nederlandse gevestigde politiek van de jaren dertig sloot hij zich aan bij de NSB in de hoop dat onder Musserts dictatuur een nieuwe `volksgemeenschap' zou worden gesmeed. Aan de verwezelijking van dat ideaal wilde Kettmann vooral een culturele bijdrage leveren. Teleurgesteld door de culturele kleingeestigheid van de NSB en van de profiteurs die uit persoonlijk gewin op belangrijke posities binnen Musserts organisatie waren geklommen, keerde hij zich naar de SS. Daar verwachte hij zijn nationaal-socialistische ideaal in de zuiverste vorm te kunnen beleven, maar dreef hij in werkelijkheid steeds verder af van de gemeenschap waarover hij zo opgaf.

George Kettmann: Leven in tweespalt. Nagelaten geschriften van een nationaal-socialist. Ingeleid door Louis Ferron. Bezorgd door Willem Huberts. Uitgeverij Flanor,

224 blz. ƒ40,-

    • Gerard Groeneveld