Redding door oppervlakkigheid

Zinvolheid kunnen we niet maken. Ze is er of ze is er niet. Toch is de mens in dit opzicht niet helemaal machteloos, aldus de Leuvense filosoof Moyaert. Aan de randvoorwaarden van ons geluk kunnen we wel degelijk sleutelen.

In de journalistiek heerst een wrede wet die zegt dat de nieuwswaarde van honderd dode Filippijnen gelijk is aan die van tien dode Fransen of één dode Nederlander. Waarom is die wet zo wreed? Omdat we allemaal vinden dat ieder mensenleven evenveel waard is. Toch overtreden we dat beginsel voortdurend. De verzwikte enkel van mijn dochtertje is nog belangrijker dan honderd dode Filippijnen. Die disproportie is ons lijfsbehoud. Zouden we ons het leed van ieder mens aantrekken, dan hadden we geen leven meer.

We geven meer om wat ons nabij is dan om wat ver weg is, maar de idealen die we belijden laten dat eigenlijk niet toe. Met die paradox begint de Leuvense filosoof Paul Moyaert (1952), docent wijsgerige antropologie en ethiek aan de universiteit van Leuven, zijn provocerende boek De mateloosheid van het christendom, dat drie losvast met elkaar verbonden delen omvat. Ze draaien achtereenvolgens om naastenliefde, betekenisincarnatie en mystieke liefde. Dat zijn geen onderwerpen die gemakkelijk in het gehoor liggen. Ook stilistisch doet Moyaert weinig concessies en dat maakt De mateloosheid van het christendom een weerspannig boek, meer nog dan Moyaerts omstreden studie Ethiek en sublimatie van vijf jaar geleden.

In dat laatste boek probeerde Moyaert, zwaar leunend op de Franse psychoanalyticus Lacan, te laten zien dat we de wereld alleen maar als zinvol kunnen ervaren omdat we opgenomen zijn in een samenhang die onze macht overstijgt. Zinvolheid kunnen we niet maken: ze is er. Of ze is er niet, want voor zinloosheid geldt hetzelfde. Dat betekent niet dat we helemaal machteloos zijn. Aan de randvoorwaarden van ons geluk kunnen we wel wat sleutelen. Maar dat geluk valt ons tenslotte toe op een manier alsof het ons geschonken is. Als een soort genade, om de religieuze terminologie waarvan Moyaert zich in De mateloosheid van het christendom bedient, te volgen.

Alles wat we doen wordt uiteindelijk begrensd door een gebied waarover we geen zeggenschap meer hebben en waar de dingen domweg zijn zoals ze zijn. Dat geldt zowel voor een zinvol leven als – zo voegt Moyaert er in zijn nieuwe boek aan toe – voor de liefde. Waarom houden we het meest van wat ons nabij is? Omdat principes algemeen kunnen zijn, maar liefde zich nu eenmaal op de naaste richt. Daar valt niets aan te doen en we moeten niet de pretentie hebben dat te veranderen. Zodra de naastenliefde wordt onderworpen aan de wet van de verdelende rechtvaardigheid, houdt ze op liefde te zijn.

Symbolen

Dat is een pijnlijke constatering, want daarmee komt de liefde op gespannen voet te staan met elk ethisch besef. In plaats van een moreel systeem te funderen blaast ze dat juist op. Naastenliefde is niet het voldoen aan wetten of regels, maar – aldus Moyaert – een toewijding die desnoods tegen alle wetten ingaat. Daarom staan die twee zo vaak op gespannen voet. Moet ik mijn zoon, die niet wil deugen, aangeven bij de politie of niet?. Televisiedrama's zitten vol met dat soort dilemma's.

Die double-bind (wat ik ook doe, ik doe het altijd fout) brengt het bestaan onvermijdelijk in de knoop. Ze gaat onze wilskracht in zekere zin te boven. Vandaar de `mateloosheid' in de titel van Moyaerts boek. En waarom `van het christendom' (waaronder Moyaert in feite het katholicisme verstaat)? Omdat we aan die traditie, die nu eenmaal de onze is, het gebod van de naastenliefde uiteindelijk te danken hebben.

De dubbelzinnigheid van het christendom gaat zelfs nog verder dan Moyaert meent. Ook de gedachte dat alle mensen gelijk zijn komt daar immers vandaan – al is het evangelie nog zo wijs te zeggen dat alle mensen gelijk zijn voor God. Met de eis dat ze dat ook voor elkaar moeten zijn, greep het christendom enigszins boven zijn krachten. Toch neemt niemand het die hovaardij kwalijk, want we hebben er tenslotte de Mensenrechten aan overgehouden. Maar ook het dilemma tussen liefde en rechtvaardigheid.

Waarom geef ik meer om mijn dochtertje dan om honderd Filippijnen? Omdat het nu eenmaal mijn dochtertje is, punt uit – antwoordt Moyaert. Daar houdt de rechtvaardiging op en laat alleen het blote feit zich nog gelden. Dat hindert ons, want we verantwoorden de dingen graag. En, zo laat Moyaert in het tweede deel van zijn boek zien, misschien ligt alles wat ons werkelijk aangaat wel aan gene zijde van verantwoording en verklaarbaarheid. Hij maakt dat duidelijk door na te gaan wat symbolen voor ons betekenen en kiest als voorbeeld een van de weerbarstigste en meest omstreden voorbeelden van `symbolische werkelijkheid' die de geschiedenis kent: de praesentia realis (werkelijke aanwezigheid) van Christus in brood en wijn, die volgens de katholieke leer het geheim van de eucharistie vormt.

Dat brood en die wijn zijn geen verwijzing naar het bloed en lichaam van Christus, maar zijn dat bloed en lichaam zelf, beweert het katholieke dogma. Dat is altijd een raadselachtige bewering gebleven, want zelfs de meest geharnaste dogmaticus moest toegeven dat er zo op het oog niets veranderde. Toch verdedigt Moyaert het dogma tegen de moderne opvatting dat brood en wijn alleen naar de Christusfiguur verwijzen. Zo gaat het wel met de gewone tekens die we in het dagelijks leven hanteren: een verkeersbord verwijst naar een verbod omdat wij dat ooit zo hebben vastgesteld. Die tekens zijn op ons initiatief ingesteld en we kunnen ze ook weer intrekken, of wijzigen.

Maar ook bij die tekens kunnen we één ding niet doen. We kunnen níet ongedaan maken dat ze ooit dat verbod betekend hebben. Ook naar dat verleden blijft zo'n teken verwijzen en daarmee stuiten we op de grens van de manipuleerbaarheid ervan. Die betekenis is niet meer van onze beslissing afhankelijk maar lijkt een eigen kracht te hebben, die geworteld is in het feitelijke. Waar het feit begint, houdt de zeggenschap van het denken op.

Grafstenen

Die grens van manipuleerbaarheid is – schrijft Moyaert – op een heel pregnante wijze aanwezig in het symbool. Een relikwie is een goed voorbeeld van zo'n niet-manipuleerbaar teken. Met liefde schrijft Moyaert over een koffiekopje dat ooit aan zijn vader heeft toebehoord en waarin zijn herinnering aan hem zich heeft neergeslagen. Die betekenis hangt enkel en alleen aan dit feitelijke kopje. Als het zou breken, heeft het geen zin een nieuw te kopen. Betekenis is hier niet een kwestie van gedachten, maar is op een bijna fetisjistische manier materieel geworden. Op die symboliek doelt Moyaert wanneer hij over `betekenisincarnatie' spreekt en daarmee verdedigt hij ook de praesentia realis. De betekenis is echt (realis) in het symbool aanwezig: weliswaar slechts voor ons, maar wel op zo'n manier dat wij daaraan niets kunnen veranderen en alsof ze ons toevalt vanuit een initiatief dat niet het onze is.

Dat woord `alsof' is belangrijk. Moyaert veronderstelt niet dat er werkelijk iets of iemand zou zijn die ons zo'n genade zou toebedelen. Hoewel de naam God in het boek veelvuldig valt, blijkt nergens uit dat Moyaert in het objectieve bestaan van een opperwezen gelooft. Hij heeft dat ook niet nodig. Hem gaat het alleen om de manier waarop betekenisvolle zaken voor ons verschijnen, niet om de vraag of aan die verschijnswijze (het `alsof') ook een werkelijkheid beantwoordt. En daarin gaat hij zeer ver. Want symbolen functioneren volgens Moyaert niet alleen alsof hun betekenis van ons onafhankelijk is, ze nemen volgens hem ook onze plicht over die betekenis te herdenken. Ik hoef niet steeds aan mijn vader terug te denken, omdat het aandenken dat ik van hem bewaar voor mij herdenkt. Op dezelfde manier, zo had Moyaert in Ethiek en sublimatie al geschreven, houden de grafstenen op het kerkhof de herinnering aan de dode levend.

Daarmee trapt hij het moderne levensbesef gevoelig op de ziel, want dat laat alles wat ons aangaat liefst van het initatief van de individuele persoon afhangen. Dat is een `verlichte' gedachte, want daarmee komt de verantwoordelijkheid voor wat wij vinden en hoogachten volledig bij onszelf te liggen. Maar daarmee wordt het bewustzijn volgens Moyaert zwaar overschat. Het is nu eenmaal niet zo dat we alles wat we vinden bewust hebben omarmd of dat we datgene wat we waardevol achten zelf eerst waardevol hebben gemaakt. Integendeel, iets is waardevol omdat het in zekere zin onvervangbaar is, en ook ik het dus niet kan vervangen.

Niet de inwendigheid beslist dus over wat voor ons van gewicht is, maar de uitwendigheid. Relikwieën en grafstenen herinneren eraan wat we belangrijk vinden en daarom – aldus Moyaert – staan zij garant voor de continuïteit van die herinnering, die we zelf niet opbrengen. We zijn voor onze diepste gevoelens en piëteit afhankelijk van iets dat buiten ons ligt en dat zelf helemaal niet `diep' is, maar loutere oppervlakte is: een stom voorwerp.

Daarin ligt voor Moyaert ook de betekenis van het ritueel, zoals de consecratie van brood en wijn tijdens de misrite, en zelfs de betekenis van een religieus instituut als de katholieke kerk als geheel. Het gaat er volgens hem niet om dat katholieken geloven wat de kerk allemaal leert. Het gaat erom dat zij deelnemen aan de riten en de oppervlakkige vormen van het kerkelijk leven. Dan komt de levensbetekenis die het geloof aan de kerkganger belooft vanzelf wel. De rite geeft zijn bestaan zin, niet de inhoud van het dogma zelf. En dat is volgens Moyaert voldoende. Op een van zijn meest provocerende momenten schrijft hij: `De kerk gelooft voor ons'.

Geloofswaarheden zijn geen uitspraken waarvan de waarheid of onwaarheid er veel toe doet. Misschien, zo suggereert Moyaert, hebben ze wel helemaal geen inhoud. Niets maakt dat duidelijker dan de soms bizarre dogma's van het katholicisme, die met de beste wil van de wereld niet te begrijpen zijn.

Of de kerk zelf met Moyaerts bewerking gelukkig zou zijn, valt te betwijfelen. Zij is allang allergisch geworden voor het ritualisme dat het katholicisme van oudsher wordt aangewreven. Zeker sinds het concilie van Trente (1545-64), waarop ze de vloed van het protestantisme trachtte te keren en tegelijk het dogma van de praesentia realis formuleerde, eist ze van haar kudde een doorleefd geloof, net zoals de Reformatie. Volgens Moyaert heeft ze daarmee al te veel concessies gedaan aan de moderniteit. Voor hem gaat het in het geloofsleven om de bijzaken, niet om de leer; om de oppervlakte, niet om de diepte. Het hedendaags oecumenisch katholicisme dat steeds verder in protestantse richting opschuift, is hem dan ook een gruwel.

Bizarre dogma's

Maar als De mateloosheid van het christendom alleen maar over godsdienst en geloofsleven zou gaan, zou het een nogal bizar product uit een folkloristische discussie zijn. Uiteindelijk gaat het Moyaert om de structuur van al datgene wat in ons leven belangrijk is. Of beter nog: om de vraag hoe het kan dat er in ons leven iets belangrijk en zinvol is. Zelfs bij een gewone conversatie is het meestal belangrijker dat ze plaatsvindt dan wat erin gezegd wordt. Gesprekken over het weer zijn het cement en het fundament van de samenleving.

Moyaert beseft heel goed hoe shockerend datgene wat hij schrijft voor een modern bewustzijn is. Wie ertoe wordt uitgedaagd dit alles te verdedigen, wordt onvermijdelijk in verlegenheid gebracht, schrijft hij aan het slot van zijn uiteenzetting over de praesentia realis, en dan moet het derde deel van het boek – over de christelijke liefdesmystiek – nog volgen. Zijn extreme nadruk op de uitwendige kant van wat we meestal als een zaak van louter inhoud beschouwen, laat ook de nodige vragen onbeantwoord. Want helemaal bijkomstig is de kwestie wat er geloofd wordt en waaraan bekeerlingen beantwoorden nu ook weer niet. Wie katholiek wordt, kan het condoomverbod van de moederkerk niet helemaal onbesproken laten.

Sterker nog: de rite en uitwendigheid waarop Moyaert zoveel nadruk legt, is er uiteindelijk alleen maar omdat er ook een inhoud is die daarin wordt uitgedrukt. Dat is niet alleen een theologische kwestie. Elke gelovige gaat uiteindelijk naar de kerk omdat hij gelooft. Als dat ophoudt, houden ook de kerkgang en de rite op. Wanneer elke inhoud daarvan verdwijnt (zoals bij Moyaert dreigt te gebeuren), maakt het bovendien niet meer uit bij welke club of gemeenschap men zich aansluit. Zelfs de vraag `protestant of katholiek?' wordt dan om het even. Ironisch genoeg doet ook het feit dat het protestantisme (net als bijvoorbeeld het humanisme) de opvattingen van Moyaert resoluut zal verwerpen, er dan niet meer toe, omdat het volgens Moyaert nu eenmaal niet om de opvatting gaat.

Dat neemt niet weg dat Moyaert in zijn boek een aantal uiterst belangrijke inzichten naar voren brengt die het moderne zelfbewustzijn liefst zou vergeten. Hij doet dat als een geboren agent provocateur: apodictisch en in een vocabulaire dat vandaag de dag alleen nog maar bevreemding kan wekken. Maar het loont de moeite zijn geharnast ultramontanisme en de Lacaniaanse psychoanalyse die ook in dit boek prominent aanwezig is, uit te zitten. Moyaert is een van de meest uitdagende denkers binnen het Nederlands taalgebied en die maken het hun lezers nu eenmaal zelden gemakkelijk.

Paul Moyaert: De mateloosheid van het christendom.

SUN, 303 blz. ƒ39,50

    • Ger Groot