Overleg mainports moet op andere wijze plaatshebben

Natuur- en milieuorganisaties zijn uit het overleg over de uitbreiding van de Rotterdamse haven gestapt, nu is gebleken dat de besluitvorming over een Tweede Maasvlakte plaatsheeft op verkeerde gronden.

Harry Welters meent dat de partijen op een andere manier met elkaar moeten onderhandelen.

Niet iedereen in Nederland is overtuigd van de waarde van onze mainports Rotterdam en Schiphol als trekkers van de welvaart. Ik ben dat wel. De delta oftewel het hoefijzer van economische centra en corridors dat wordt gevormd door beide mainports en de eraan gekoppelde waardeketens, bepaalt het karakter van Nederland en de focus van onze maatschappelijke activiteit. Sinds eeuwen, voor wat de zeehaven betreft; sinds decennia voor wat de luchthaven betreft.

Nederland gaat intussen slordig om met de factoren die het land maken tot `de mainport voor Europa'. Fatale ruimtelijk-economische impasses, eindeloze discussies over de vraag of Schiphol mag doorgroeien en of de Tweede Maasvlakte mag worden aangelegd, een overheid die zich van haar onbetrouwbaarste kant laat zien als het gaat om de voltooiing van de A4, stop-go besluitvorming over de bedrijvenfunctie in de Hoeksche Waard. Soms lijkt het alsof spraak- en beleidmakend Nederland met opzet bezig is inkomen en werk van huidige en volgende generaties op het spel te zetten. Hoe zou dat nu komen?

Nederland wordt mondiaal bewonderend nagestaard vanwege ons sociaal-economische poldermodel. Sociale partners, gefaciliteerd door de overheid, dragen samen een consensusmodel dat ons al jaren helpt aan sociale vrede en economische groei. Lastenverlichting en soepeler regelgeving scheppen ruimte voor loonmatiging en flexibilisering van de inzet van arbeid. Dat werkt, zoals blijkt uit een vergelijking tussen de Nederlandse en de Duitse economie, die bijvoorbeeld tot op heden nog nauwelijks uitzendarbeid kent.

Waarom zou het zogenoemde groene poldermodel dan niet werken, althans niet zodanig dat iets aanvaardbaars voortkomt uit het soms dol makende overleg tussen overheden, belanghebbenden en de milieuwereld? Die paradox is tamelijk eenvoudig uit te leggen. De twee poldermodellen, het sociaal-economische en het ruimtelijk-economische, worden namelijk bevolkt door andere spelers.

Waar in de sociaal-economische polder twee groepen belanghebbenden, werkgevers en werknemers, onder bemoediging van de overheid er samen uitkomen, tot beider heil, ligt dat in de groene polder anders. Mislukking, als gevolg van een te hoge inzet of een te eenzijdig verloop van de onderhandelingen is voor elk van beide partijen in het sociaal-economische overleg een nederlaag, met soms ernstige consequenties voor de achterban. In de groene polder staan de economische actoren, voorstanders van verbetering van de infrastructuur en de concurrentiepositie – soms tegenover, soms naast de overheid. De voorstanders van infrastructuur – hier te verstaan in de breedste zin: fysieke ruimte voor bedrijvigheid – strijden voor een beter functionerend Nederland, zij verdedigen onze economische potenties. Maar aan de andere kant van de tafel zit een maatschappelijke groepering die zelf niets te verliezen heeft.

Als de milieubeweging overvraagt of halsstarrig vasthoudt aan eenmaal ingenomen uitgangspunten, staat daar geen enkele sanctie tegenover. Tegelijk formuleert de overheid te weinig wat zij zelf wil en vermomt zij die besluiteloosheid door termen te gebruiken zoals `interactieve beleidsvorming', of heel gewoon `inspraak'.

Het sociaal-economische poldermodel werkt, omdat het spel wordt gespeeld door partijen die de waarde van de knikkers kennen. Het groene poldermodel werkt niet, omdat een partij meedoet die wel knap speelt, maar minder geïnteresseerd lijkt in de knikkers.

Het wordt tijd voor een herstructurering van het overleg; een tripartiete structuur à la de SER – een RER derhalve, een Ruimtelijk-Economische Raad – moet serieus worden overwogen. Partijen zitten dan op het gewenste niveau bij elkaar, met de expliciete opdracht elkaar uit de impasse te helpen. In zo'n structuur kan de milieubeweging, die zich nu uitsluitend bezighoudt met ecologie, wellicht worden opgevoed tot het dragen van medeverantwoordelijkheid voor onze economische toekomst.

In de RER-context kunnen ook de rollen van de verschillende betrokken partijen opnieuw worden gedefinieerd. Dan zien we milieubeweging in de rol van bewustmaker. De andere drie spelers in de Ruimtelijk-Economische Raad – de consument, met zijn aankoopgedrag, de producent met zijn wijze van produceren en de wetgever met zijn regelgeving – zien we eerder in `operationele' rollen.

Het gaat erom dat het debat over de verdeling van de schaarse milieuruimte niet langer in hoofdzaak moet worden gevoerd tussen de milieubeweging en de overheid. Ook het bedrijfsleven moet participeren in die discussie. Het zal daarbij, op basis van een verantwoorde omgang met het milieu, ongetwijfeld een eigen aandeel in de beschikbare milieuruimte opeisen: dat deel dat nodig is voor het waarborgen van de continuïteit en een verantwoorde groei van de bedrijfsactiviteiten.

Prof. drs. H.W.H. Welters was tot 1 oktober 1999 directeur van de Haven Ondernemers Vereniging SVZ en is thans hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Rotterdam en Schiphol zijn wel degelijk trekkers van onze welvaart