Op zoek naar een koude schat

Zes dagen voor de beoogde datum maakten de juryleden van de prix Goncourt het winnende boek bekend: Je m'en vais van Jean Echenoz. Maar het moment was onverwacht en dus was er geen journalist te bekennen. Geen fotograaf, geen stralende laureaat, geen champagne bij café de Flore. Het is een scenario dat in een roman van de prijswinnaar zelf niet zou misstaan. Bij Echenoz gebeurt er zelden wat je verwacht, is niemand ooit wie hij lijkt en hangt een mensenleven veeleer aan elkaar van toevallige ontmoetingen en verdwijningen dan van goed onderhouden netwerken.

Toch doet Echenoz er alles aan om in zijn werk, dat inmiddels acht romans omvat, de illusie van eenheid, waarheid en werkelijkheid in stand te houden. Zo komen personages uit eerdere boeken bijvoorbeeld terug in latere en spelen zijn romans zich vaak af binnen een met zoveel woorden aangeduide tijdsspanne. Un an (Een jaar) heette zijn vorige roman en ook zijn nu bekroonde boek, Je m'en vais (Ik ga weg), strekt zich uit over een jaar (min twee dagen). In Un an ontdekt Victoire op een morgen dat haar minnaar Félix Ferrer dood naast haar in bed ligt, waarop zij in paniek de benen neemt. Op de laatste bladzijde van het boek, na een zwerftocht van een jaar, treft zij Félix aan in een bar, levend en wel, en in gezelschap van de mooie Hélène.

Je m'en vais lijkt het spiegelbeeld van Un an, een tweelingbroertje. Op de eerste bladzijde verlaat Félix Ferrer zijn vriendin Suzanne. `Je m'en vais, dit Ferrer, je te quitte'. Op de laatste pagina, een jaar later, krijgt Félix zelf de bons van zijn grote liefde, Hélène. Al dwalend door de stad belandt hij, op oudjaarsavond, voor de deur van het voormalige huis van Suzanne. Een hem onbekende vrouw nodigt hem uit binnen te komen. `Ik ben er zelf ook maar bij toeval', zegt ze. Félix gaat naar binnen. `Eén glaasje,' zegt hij, `et je m'en vais'.

De eerste vier woorden van het boek zijn dezelfde als de laatste vier. De cirkel lijkt rond. Het jaar is verstreken, de handeling afgesloten. Alles lijkt in orde, afgesloten. En toch is dat gezichtsbedrog, literair trompe-l'oeil. Het verhaal dat we hebben gelezen, heeft ons namelijk niet wijzer gemaakt. We zijn niets wezenlijks te weten gekomen over de psychologie van de personages, over hun drijfveren, hun achtergrond of hun gevoelens. We weten niet eens hoe ze eruit zien. Dat we de namen van de personages al kennen uit eerder werk, helpt ons niet verder. Integendeel. Het zijn geen duidelijk herkenbare karakters. Ze staan niet voor éénduidige menselijke eigenschappen, zoals in het werk van Balzac of Mauriac. Het zijn vage schimmen, ondefineerbare figuren met, toevalligerwijs, dezelfde naam.

Wat wel minutieus wordt vastgelegd is het traject dat ze afleggen. Niet voor niets zegt Echenoz dat hij `geografische romans' schrijft, zoals een ander historische. We weten inderdaad precies in welke straat kunsthandelaar Félix Ferrer woont, in welk arrondissement van Parijs hij zijn galerie heeft en welke route hij neemt naar zijn vriendin. Geen metrostation wordt overgeslagen, geen kruispunt gemist.

Het gezichtspunt van waaruit het verhaal wordt verteld is al even beweeglijk. Soms voorziet een alwetende verteller ons van persoonlijk commentaar op de gebeurtenissen. Even later valt de ik-persoon weer samen met een personage of lijkt de auteur zelf aan het woord. De cameravoering is schokkerig en onrustig. Het filmische karakter wordt consequent volgehouden. Zelfs wanneer de hoofdpersoon een hartinfarct krijgt `blijft hij de dingen registreren zoals een omgegooide camera die na de plotselinge dood van de cameraman door blijft filmen: een stukje muur, een slecht aangebrachte plint, een deel van een buis, een druppel lijm aan de rand van de vloerbedekking.'

Hoe komt het dat Echenoz er, ondanks zijn ondoorzichtige karakters en zijn wisselende horizons, toch in slaagt zijn lezer aan zich te binden? Echenoz verleidt zijn lezer met humor – onderkoelde, droge en soms slapstickachtige humor. Hij weet bovendien met welke genres en technieken hij de lezer kan inpakken. In Cherokee (1983) experimenteerde hij met de thriller, in L'équipée malaise (1986) met de avonturenroman en in Meer (Lac, 1989) met de spionageroman. Hij weet dat plotselinge verdwijningen (Les grandes blondes, 1995) en wisselende identiteiten de lezer intrigeren.

In Je m'en vais onderneemt Félix Ferrer een avontuurlijke reis naar het hoge noorden van Canada, om een in 1957 op een ijsbank vastgelopen schip op te sporen, dat vol zit met kostbare kunstvoorwerpen. Na terugkeer in Parijs wordt de buit uit zijn galerie gestolen. Zijn compagnon verdwijnt, zijn vriendin gaat er vandoor en zijn kunsthandel dreigt failliet te gaan. Net als in zijn vorige romans kruist Echenoz de avonturenroman met de policier. Hij hanteert een sobere, minimalistische stijl met een eenvoudige intrige en een overdaad aan details – kenmerken die vaak terugkomen bij de nouveaux nouveaux romanciers, een groep schrijvers verzameld rond uitgeverij Minuit.

De personages van Echenoz zijn rondzwervende, tastende elementaire deeltjes in een maatschappij die als los zand aan elkaar hangt. Maar ze zijn lang niet zo verdorven en wanhopig als die van Michel Houellebecq. Ze lijden net zo onder de liefdeloosheid, de verveling en de saaiheid van hun bestaan, maar gaan desondanks op zoek naar de schat, ergens verborgen in de ijszee boven de poolcirkel. Echenoz schreef een mooi boek over eenzaamheid en kwetsbaarheid, gedragen door breekbare personages die, ondanks alles, in staat zijn te zeggen: Je m'en vais. Een verdiende Goncourt.

Jean Echenoz: Je m'en vais.

Minuit, 253 blz. ƒ42,75

    • Margot Dijkgraaf