Nu weten we beter

De jeugd danst, de ouderen ruimen op. Deel 45 van een serie tot slot van het millennium.

Dit is de tijd van de gewone mensen.

Omkijkend naar de afgelopen eeuw, die al bijna de vorige eeuw is, zie je opeens geen grote bewegingen meer, geen alomvattende ideeën, geen massale verheffing, bevrijding en verlossing, maar enkel heel veel kleine mensen in een grote wereld. Dat is de strekking van de meeste boeken en documentaires die de twintigste eeuw op de valreep in woord en beeld proberen te vangen: geen heldenverering, geen godenzonen en messiassen, en ook geen politieke abstracties of imposant machtsvertoon. Hoe hebben we wij en onze voorouders deze eeuw beleefd, wat hebben we doorgemaakt, daar gaat het nu om. Achter de grote woorden van de officiële geschiedenis gaan ontelbare individuele ervaringen schuil, zoveel particuliere belevenissen en gevoelens, angst, trouw, verlies, hoop en liefde en juist daar is de twingtigste eeuw met zevenmijlslaarzen overheen gebanjerd, zoveel zieltjes vertrappend, blind van eigenwaan en ideologie.

Nu weten we beter.

Wat waren al die vertrapte en gefnuikte levens eigenlijk bijzonder! Hun verhalen dringen zich steeds meer naar de voorgrond. Een verpleegster in het Zuid-Afrika tijdens de Boerenoorlog, een geliquideerde bonnendief tijdens de Tweede Wereldoorlog, een zwart schoolmeisje in het Amerika van de rassenscheiding, een homoseksuele leraar in de jaren vijftig, deze mensen hebben zich manmoedig een weg door de geschiedenis gebaand. Misschien hadden ze idealen, wellicht droomden ze van de hemel op aarde, maar ze waren toch vooral mensen. De geschiedenis drukte op hen als een zware last, maar ze gaven niet op. Vaak genoeg tastten ze in het duister, nooit wisten ze wat hen boven het hoofd hing, maar ze leefden toch hun leven, ze maakten er geen eind aan. En juist de onheroïsche alledaagsheid van deze mensen, waar indertijd door de bevlogenen die de wereld wilden veranderen op gespuwd werd, ontroert ons nu het meest. Dit waren mensen van vlees en bloed, in alles wat ze deden waren ze, zo blijkt nu, zo ongelooflijk aandoenlijk menselijk. Het verstrijken van de tijd heeft hun alledaagsheid een mooi patina gegeven; het doodgewone blijkt buitengewoon. Achteraf gezien, op foto`s, in dagboeken, op amateurfilmpjes, lijkt hun onopvallendheid bijna een daad van verzet tegen de op de achtergrond vervaarlijk opdoemende geschiedenis, die erop uit is hun al hun individualiteit te ontnemen.

Hoe nostalgisch is die manier van terugkijken? In Mijn eeuw vat Günther Grass de afgelopen honderd jaar samen in evenzoveel verhalen, per jaar genummerd. Hij kruipt in de huid van talloze personages die in verbinding staan met de geschiedenis zoals wij die kennen. Anderen hebben deze eeuw misschien gemaakt, de personages van Grass hebben hem beleefd. Dat willen zeggen, bijna allemaal. In 1995 aangeland vermomt Grass zich als de verslaggever die dat jaar de Love Parade in Berlijn verslaat. Een paar honderduizend jongeren trekken al dansend over de Kurfürstendamm, in naam van de wereldvrede. Maar volgens de verslaggever willen de jongeren alleen zichzelf laten zien: ,,Wij zijn anders. Wij willen pret maken. Alleen nog maar pret. En die maken ze ongeremd, omdat ze, zogezegd, anders zijn, geen vechtersbazen van links en rechts, geen achtenzestigersnakomers die altijd alleen maar tegen en nooit echt vóór iets waren, maar ook geen moraalapostels, die, zoals wij ze hebben meegemaakt, met angstkreten of door middel van lichtketens de oorlog willen uitbannen. Nee, deze jeugd van de jaren negentig zit anders in elkaar, net zoals hun muziek, [...] want zelfs ik moet, al is het met tegenzin, toegeven dat dit dreunende, de Kurfürstendamm op zijn grondvesten schuddende bonken van de bassen, dat onbarmhartige boemboemboem en tjakkatjakkatjakka, kortweg techno genoemd, niet ieders smaak is, maar deze jeugd is nu eenmaal gek op zichzelf en op de chaos en wil zich laten voldreunen en in extase zijn.''

Met andere woorden, de jeugd van nu wil niks meer met de wereld te maken hebben, is buiten de geschiedenis getreden. Aan het eind van het verhaaltje verandert de ironie van de commentator in bitterheid. ,,Geen revolutionaire leuzen wil men horen, alleen nu en in de toekomst: peace, zelfs wanneer ergens op de Balkan, in Tuzla, in Srebrenica en waar nog overal, wordt geschoten en gemoord.'' De jeugd danst zichzelf in extase, de ouderen mogen de rotzooi opruimen.

Een voorbeeld waaruit eenzelfde gespletenheid blijkt: aan het eind van De eeuw van mijn vader, waarin Geert Mak uitvoerig laat zien hoe zijn familie de verwoestende geschiedenis van deze eeuw is doorgesukkeld, buigt de schrijver zich over het huidige tijdsgewricht. Ook hij windt zich op over een generatie die geen vuile handen meer wil maken. Terwijl hij schrijft, woedt er oorlog inhet voormalige Joegoslavië. Mak: ,,Het is een weinig heldhaftige oorlog. De dubbelzinnigheid is groot: aan de ene kant gaat het om bevrijding en gerechtigheid, om de idealen van het nieuwe Europa, aan de andere kant is er een verdere stap gezet in de ontmenselijking van conflicten. De westerse democratieën willen blijkbaar alleen nog maar vechten voor `Europa' en `vrijheid' als er geen enkel risico bij zit. Dat zegt iets over het toegenomen individualisme van de Europeanen, die niet zo snel meer achter Vaandels, Leiders en Hoge Idealen aanmarcheren. Tegelijkertijd zijn ze echter in dezelfde positie terechtgekomen als de Franse, Engelse en Duitse generaals tijdens de Eerste Wereldoorlog: wel het bevel geven tot oorlog en vernietiging, maar nergens zelf de consequenties voelen. De geallieerden voeren zo een oorlog waarbij ze voor een dubbeltje op de eerste rang zitten.'' Nee, de hedendaagse Europeanen lijken helemaal niet op de generaals uit de Eerste Wereldoorlog, ze lijken veel meer op de ravende tieners van Grass die zich in naam van de wereldvrede in een orgie storten. De oorlog om Kosovo was het soort oorlog waar de verlichte mens eeuwen van gedroomd heeft: noodzakelijk, maar kort en gericht en met een minimum aan slachtoffers. Juist deze nieuwe manier van oorlogvoeren wordt door Mak onmenselijk en weinig heldhaftig genoemd.

Hoe kan dat? In Mijn eeuw van Günther Grass komen de oorlogsauteurs Erich Remarque en Ernst Jünger voor, die als oude heren genoeglijk met elkaar discussiëren over hoe je de vijand in de loopgraven het beste om zeep kon helpen, met een bajonet of met een spade (de spade, ,,omdat je met de spade niet alleen onder de kin kon stoten maar ook met grote kracht kon toeslaan [...]. Je gaat dan gemakkelijk tot in de borstholte, terwijl de banjonet vaak tussen de ribben bleef vastzitten en je tegen de buik moest trappen om hem weer los te krijgen...''). Was hun oorlog dan een menselijke oorlog? Het was, en dat zal Mak bedoelen, een echte oorlog, die fysieke aanwezigheid en inzet vereiste, moed en bloed. Deze mannen waren erbij, ze gingen geen potje housen na een paar knoppen te hebben ingedrukt.

De huidige mens, zo zien Grass en Mak dat, is onmenselijk, niet omdat hij moordzuchtig en bloeddorstig zou zijn, maar omdat hij dat niet meer is. Hij onttrekt zich aan de algemene ervaring, kan of wil geen geschiedenis meer maken. Maar de gewone mensen die Grass en Mak in hun boeken opvoeren, hebben zoveel ervaren omdat ze zuchtten onder de geschiedenis van de Grote Woorden, met andere woorden: ze liepen achter Vaandels, Leiders en Hoge Idealen aan. Wie dat niet doet, beleeft niets meer dat niet alleen maar persoonlijk is. Je kunt geen lijntje meer om zo'n leven trekken, het voltrekken zich in een geschiedkundig vacuum: stof voor een talkshow of voor Big Brother.

Omkijkend naar de aflopende eeuw, die al bijna de vorige eeuw is, voelen we een sentimentele nostalgie opkomen. Naar gewone mensen, net als wij, die iets meemaakten. Laat ons iets beleven, geef ons de geschiedenis terug.

    • Bas Heijne