Noam Chomsky: Syntactic Structures, 1957

Als niet de redacteur van een Haagse uitgever bij een bezoek aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) zijn oog had laten vallen op een bundeltje aantekeningen van Noam Chomsky (1928) – een uittreksel van zijn proefschrift dat hij voor een college taalkunde gebruikte – had het er anders uitgezien voor de linguïstiek. Chomsky's dikke proefschrift had in 1955 alleen in kleine kring belangstelling gewekt, maar de verschijning van een amper honderd bladzijden tellend boekje bij Mouton (Den Haag) veranderde aard en aanzien van het vak als bij toverslag. Terwijl zijn collega's ijverig aan het passen en meten waren met fonemen en morfemen en andere bouwstenen van woorden en zinnen, kregen ze met Syntactic Structures in 1957 een compleet apparaat voor de productie van `welgevormde', dat wil zeggen grammaticaal correcte, zinnen in de maag gesplitst. Het redekundig hoogstandje werd geen bestseller, maar spraakmakend nieuws dat de taalkunde onder de ogen van een groot publiek bracht.

`Linguists must be concerned with the problem of determining the fundamental underlying properties of succesful grammars', begint Chomsky zijn inleiding. Om te beginnen was een goede beschrijving van taal een vereiste. Wie of wat maakt zinnen zinnig? Is het denkbaar dat moedertaalsprekers een eindeloze stroom welgevormde zinnen voortbrengen met behulp van een beperkt aantal procedures? Volgens het behaviorisme, de strenge gedragsleer die rond de verschijning van Syntactic Structures de sociale wetenschappen regeerde, zaten die procedures – als ze er al waren – voor altijd verborgen in een ontoegankelijke black box. Alleen waarneembare gedragingen konden uitgangspunt voor theorievorming zijn. De kritiek die Chomsky in Syntactic Structures op het behaviorisme uitoefende is bescheiden maar beslist. Het boek is opgezet als een test van grammaticale theorieën op hun vermogen zinnen te reconstrueren die in het oor van een moedertaalspreker welgevormd zijn. Grammaticale onzin moet vermeden worden. Na uiteenzetting van de voorwaarden voor de krachtmeting beproeft Chomsky als eerste zo'n gedragsmodel, dat hij dan nog vriendelijk `elementaire linguïstische theorie' noemt. Die theorie fabriceert zinnen met behulp van de waarschijnlijkheidsberekening: bepaalde gezegdes (`bijt') blijken in het Nederlands vaak te volgen op een bepaald onderwerp (`man'), waarna zeker lijdend voorwerp (`hond') voor de hand ligt, enz. Die statistische wijsheid doet het goed in huis-tuin-en-keuken-taal, maar is slecht in staat nieuwe zinnen te produceren, of te beoordelen. Omdat `dit' zo vaak op `dat', en `zo' zo vaak op `zus' volgt, is elke zin in het statistische model haastig op weg naar het einde. De grootste gemene deler van woordkeuzes die het proces beweegt, dwingt tot taalkundige trivialiteiten. Chomsky verwerpt deze benadering, en neemt vervolgens een formele ontleding van de syntaxis in ogenschuw, de `frase structuur' die hij aan zijn leermeester in het vak, Zelig Harris, dankt.

In die theorie is de frequentie van woordvolgordes géén criterium. Met een beperkt aantal `herschrijfregels' leidt Chomsky de zin `man bijt hond' af uit de oorspronkelijke formule: Z NG + VG (d.w.z.: de Zin kan herschreven worden als Naamwoordelijke Groep (`man') + Verbale Groep (`bijt hond'). Met de intussen bij elke letterenstudent bekende `boom-diagrammen' ontleedt hij de syntaxis in steeds fijnere constituenten , zoals: VG Werkwoord (`bijt') + Naamwoord (`hond'). De lezer verkijkt zich op de eenvoud van de voorbeelden, maar strikte toepassing van de herschrijfregels levert de grammaticus tenslotte bijna alle welgevormde zinnen in de stellende wijs. Naar die prestatie verwijst het begrip generatieve grammatica. In Syntactic Structures heten die zinnen nog de kernzinnen, in de latere `uitgebreide standaardtheorie' staan zij bekend als de dieptestructuur. Om nu ook de vragende en de passieve wijs in het systeem onder te brengen voert Chomsky transformatieregels in, waaraan zijn grammatica de rest van de naam Transformationele Generatieve Grammatica (TGG) dankt. Met behulp van die regels kunnen ook synonieme zinnen op hun gemeenschappelijke afkomst worden herleid (`hond wordt door man gebeten' – `man bijt hond'), en homonieme zinnen op hun verschillen (`hond bijt man'). Als die regels niet in hun kop zaten, zouden mensen zich niet zo moeiteloos verstaanbaar maken.

De winnaar van de race tussen de grammatica's is dus Chomsky's gelukkige combinatie van de Transformationele Generatieve Grammatica. Dat is niet de Supergrammatica waar je een bepaalde taal alleen doorheen hoeft te slepen om zijn grammatica aan de weet te komen. En wie vanwege de toespelingen op de drie-eenheid van syntaxis, semantiek en fonologie in het boek denkt dat er nu een `algemene linguïstische veldtheorie' uit zal rollen die voor eens en altijd het verband tussen vorm en betekenis verklaart, komt ook bedrogen uit. Aan de fonologie (de klankleer) dragen de transformatieregels wel bij – de klanken vormen immers de oppervlaktestructuur waar de moedertaalspreker naar luistert: (mAn bEIt hOnd). Maar de semantiek houdt Chomsky op afstand: `only a purely formal basis can provide a firm and productive foundation for the construction of grammatical theory', zo begint de summary. Het beste dat van de algemene taalwetenschap verwacht mag worden is `that it shall provide an evaluation procedure of grammars'. Het is al mooi dat zijn model allerlei ogenschijnlijk willekeurig taalgedrag via omrekeningen tot een dieperliggende regelmaat kan terugbrengen. Toch laat het probleem van `vorm en vent' de schrijver niet los, en aan het einde van de samenvatting beweert hij dat er wel degelijk verband tussen syntactische structuur en betekenis bestaat. Een nog `algemenere taalwetenschap' zou die betrekkingen tussen syntaxis en semantiek kunnen onderzoeken, besluit Chomsky.

Een paar jaar voor Syntactic Structures verscheen, op een Amerikaans congres van linguïsten en cultureel-antropologen in 1952, waarschuwde Claude Lévi-Strauss de aanwezigen dat één gast wel niet uitgenodigd, maar toch aanwezig was in de zaal: de menselijke geest. Die drukte namelijk gelijkelijk zijn stempel op alle taal en cultuur. Dat taalvaardigheid de mensen was aangeboren en in de geest lag opgeslagen, was een oude overtuiging. In 1968 publiceerde Chomsky onder de titel Language and Mind drie lezingen die hij over taalpsychologie had gehouden. Want in dat vaarwater was hij inmiddels terecht gekomen, en het geschil met de behavioristen was er des te feller op geworden. B.F. Skinner, de totem van de gedragspsychologie, was nadat hij zich in 1957 ook aan een boek over taal had gewaagd (Verbal Behavior), Chomsky's favoriete boksbal geworden. In Language and Mind betuigt Chomsky om te beginnen zijn respect aan klassieke denkers als Descartes en Alexander von Humboldt die van een Universele Grammatica hadden gedroomd. In zijn lezing over de huidige stand van zaken maakt hij aan de hand van de TGG nogmaals aannemelijk dat inwendige regels ten grondslag liggen aan de feilloze intuïtie waarmee een moedertaalspreker nieuwe, grammaticale zinnen produceert. Die veronderstelde voorkennis van het taalsubject vertoonde gelijkenis met de opvattingen van Plato dat de mensen een herinnering meedragen aan universele `ideeën'.

Plato is door zijn critici ook wel in ongunstige zin met Chomsky in verband gebracht, vanwege beider afkeer van liberalisme, en voorkeur voor utopisme. Politieke technocraten en carrièristen haat Chomsky net zo hard als Socrates indertijd de Sofisten, die hun redekunst op de markt verkochten. Daarentegen heeft hij een groot vertrouwen in de natuurlijke redelijkheid en ordelievendheid van de kleine man. Van zijn professor Zelig Harris stak hij niet alleen het denken in structuur op, maar ook een zwak voor het libertaire socialisme. Zijn bewondering voor de sociale experimenten van de anarchisten tijdens de Spaanse Burgeroorlog heeft hij nooit verborgen. Wellicht ziet Chomsky in een paradijselijk anarchisme de politieke pendant van een `diepte-structuur', die aangeboren grammaticale bedrading, die het begin is van alle menselijke verstandhouding.

Noam Chomsky: Syntactic Structures. Uitg. Walter de Gruyter, ƒ54,- (twaalfde druk)

    • Samuel de Lange