Niet bij egoïsme alleen

Is een samenleving mogelijk waarin geen macht uitgeoefend wordt? Het antwoord wordt al sinds de zeventiendee eeuw gedicteerd door Thomas Hobbes. Dat is het uitgangspunt van Willy Coolsaet in zijn boek over macht in moderne tijden, Van Hobbes tot Hitler. De geest van Hobbes spookt er rond van de eerste bladzijde tot de laatste.

De theorieën van Hobbes zijn bekend. Machtsconcentratie is onvermijdelijk. Zonder macht geldt het recht van de sterkste. In de natuurtoestand ware het een mirakel als ooit iemand zou sterven van ouderdom, schrijft hij in De Cive. Zelfs de sterkste vreest er voor zijn leven. Zelfs hij is niet gebaat bij de anarchie.

Hobbes werd zo de ideoloog van het absolutisme, het totalitaire regime, de zero-tolerance en de nucleaire afschrikking: pas wanneer de mensen beheerst worden door een gemeenschappelijke macht, die iederéén schrik inboezemt, is er veiligheid. Zijn opvatting had alles te maken met zijn mensbeeld, dat van de homo lupus. In eerste instantie zoekt de mens lijfsbehoud. Voor het overige, stelt Hobbes vast in De Homine, is het streven van de mensen gericht op uiteenlopende zaken als bezit, aanzien en macht. Voor deze moet de mens in concurrentie treden. Dat is precair maar geeft het leven een spanning die het de moeite waard maakt. In de ogen van Thomas Hobbes bestaat het geluk in machtsgevoel.

De originele positie van Coolsaet in zijn benadering van Hobbes ligt in drie kanttekeningen. Ten eerste beschouwt hij het machtsstreven van Hobbes' mens als een streven naar `veroneindiging'. Net als het leven zelf, is ook het machtsstreven onderhevig aan het traagheidsbeginsel. Het machtsgevoel wil eindeloos verder ervaren worden. Je leest het niet letterlijk bij Hobbes. Maar het lijkt erop dat de ratio die de egoïst tot een bondgenootschap dwingt, niet zozeer ligt in de bereidheid om terwille van lijfsbehoud af te zien van het eigen machtsstreven. Ze is veeleer in het akkoord over een geschikt kader om zijn macht te ontplooien, in een lupus-achtige berekening. De bellum omnium in omnes eindigt niet bij de instelling van de gemeenschap, integendeel. Als men Hobbes de voorloper van Locke en de vader van het economisch liberalisme mag noemen, is het volgens Coolsaet in de eerste plaats om die reden.

Hobbes' visie op de mens, zoekend naar oneindige zelfgenoegzaamheid in rivaliteit, is verre van uniek. Vooral in de oudheid kent ze een aantal voorlopers, zoals de sofisten in het beeld dat Plato van ze geeft. Het tweede punt is voor Coolsaet dan ook belangrijker. Evenmin nieuw, maar wel sinds Hobbes definitief en efficiënter dan ooit gelanceerd, is zijn objectivisme. Het subjectieve element in de menselijke drijfveren vindt hij te verwaarlozen. De verschillen tussen mensen zijn relatief. Grosso modo zijn alle mensen gelijk in kracht, in kwaliteiten, in kansen en in wensen. Hobbes denkt over de mens in axiomata. Meer dan van, om het even welke, ideologie is Hobbes de stichter van de `objectieve' menswetenschappen.

In het vierde hoofdstuk legt Coolsaet een verband tussen de objectiviteit van de menswetenschappen en het verbloemen van de machtswil. Hij bespreekt er de gangbare verklaringen van het verschijnsel oorlog. Alle theorieën, van de sociobiologische tot de economische, interpreteren oorlog als iets rationeels, hetgeen neerkomt op een impliciete verdediging van het oorlogvoeren zelf. De menswetenschappen doen dus hetzelfde als Hobbes, al hebben ze dat zelf niet door. Ze vergeten het diepste motief voor elke oorlog: het Hobbesiaanse rivaliseren. Ook op andere manieren is het objectivisme na Hobbes succesrijk geworden. Bepaalde paragrafen uit het Politiek Tractaat van Spinoza zijn een bijna letterlijke transcriptie uit De Cive, maar dan met de staat in de rol van asociaal individu. Aangezien je op die manier meteen een objectief natuurrecht op oorlog krijgt, is de verbinding met het nationaal-socialisme snel gelegd.

Daarmee komen we bij het derde punt. Hobbes en de hele moderniteit presenteren volgens Coolsaet een geamputeerd mensbeeld. De lancering daarvan was volgens hem niet onschuldig. Hobbes meende weliswaar de droevige realiteit te beschrijven. Maar zijn reductie van de menselijke essentie heeft zich zodanig in de geesten vastgezet dat de mens steeds meer is gaan lijken op die gereduceerde essentie. Coolsaet beweert niet dat er een directe lijn loopt van Hobbes naar bijvoorbeeld het nationaal-socialisme. Hij beweert wel dat Hobbes door de overtuigingskracht van zijn objectivisme dit mensbeeld bevorderd heeft.

Ik geloof dat Coolsaet niet zoveel consideratie met de staatsfilosoof heeft. Want zijn boek is tegelijk een boek over de invloed van wijsbegeerte op de maatschappij. De manier waarop het objectivisme de natuurtoestand beschrijft, verijdelt elke mogelijke overgang naar een humane en morele maatschappelijke toestand, in theorie en in de praktijk. Coolsaet vraagt zich af of er niet meer grond is om, op basis van de alledaagse ervaring, uit te gaan van een individu dat niet in zichzelf opgesloten is, en dat altijd, ook in zijn natuurtoestand, op de ander betrokken is. Het zoeken van zelfgenoegzaamheid in de rivaliteit beschouwt hij als een aangeboren verleiding, niet als de basis van het mens-zijn. Volgens hem daarentegen legt de mens zich beperkingen op, niet door een dictaat van het gezond verstand, maar uit vrije wil. Coolsaet verwerpt niet de macht als zodanig. Maar hij verzet zich tegen het moderne concept, dat macht eenzijdig opvat als een doel op zich, als het summum van elk streven.

Het intrigerende aan figuren als Hobbes (of Spinoza in zijn Ethica) is dat je via hun theorieën over de mens discussieert in grootheden, zodat je al redenerend geleidelijk de voeling met de reële mens verliest. Coolsaet besluit evenwel optimistisch. Hobbes heeft wel het zelfbeeld van de moderne mens geschonden, maar de echte mens bij lange na niet gedood. De hedendaagse mens is misschien wel egoïstisch. Maar hij eist dat recht op egoïsme ook voor anderen op.

Willy Coolsaet: Van Hobbes tot Hitler. Over moderne vormen van macht. Garant, 174 blz. ƒ29,90

    • Karel Rombaut