Naar de wortels van het kwaad

Voor een roman heeft het verleidelijke voordelen om aan te knopen bij gebeurtenissen uit het krantennieuws. Het boek krijgt er een hele laag verwijzingen bij, het knipoogt naar de werkelijkheid buiten de kaft en zet de lezer aan het denken. Zou het echt zo gaan, in onze wereld? Als het meezit wordt het boek zelfs opgepikt in een maatschappelijk debat. Kunst die ingrijpt in de werkelijkheid, wat wil de kunstenaar nog meer. Maar zo aantrekkelijk als dat mag lijken, zo gevaarlijk is het ook. Want wat als dat krantennieuws vervolgens oud nieuws wordt? Wat gebeurt er dan met die roman?

Twee jaar geleden publiceerde Tom Lanoye Het goddelijke monster, een roman die onbeschaamd gebruik maakt van de actualiteiten die België het aanzien gaven van een land van aardappelhoofden en psychoten. Op de achtergrond is sprake van een kindermoordenaar die om onduidelijke redenen maar niet wordt opgepakt. Er is een bende die het winkelend publiek in warenhuizen afknalt `voor de prijs van één halflege kassa'. Er zijn missers bij justitie, doofpotten bij de overheid en handjeklap in het bedrijfsleven, en het krijgt allemaal zo'n nadruk dat je het onmogelijk voor franje kunt verslijten. Dit verderf van België is waar het boek over wil gaan. Lanoye zet daartoe een paar exemplarische karakters uit. Om te beginnen is daar Leo Deschryver, self-made fabrikant in kamerbreed tapijt. Een ploert van onwaarschijnlijke allure, `aan de top van de tapis-plain' in heel Europa door een combinatie van boerenslimheid en, belangrijker, uitstekende contacten bij de overheid. Want daar is ook zijn broer Herman, oud-minister, voorman van de haute finance en nog het een en ander dat van dienst kan zijn om Leo van dat beetje extra informatie te voorzien waar een tapijtgigant bij floreert.In hun gevolg verschijnt de rest van de familie, hun drie zusters, Hermans echtgenote, hun vier kinderen en daarvan ook weer echtgenoten. Stuk voor stuk karakters die de naam Deschryver eer aandoen. Wie niet corrupt is, is daar te dom voor, te dement of te verzenuwd. Of geobsedeerd door heel iets anders dan corruptie. Door perverse seks bijvoorbeeld, of door afschuw van de rest van de familie – de verbeelding van Lanoye raakt niet gauw uitgeput.

Tegenover dit tableau stelt zich ten slotte nog een onderzoeksrechter op, die zich fanaat op het dossier van de familie stort, en daarmee is het beeld compleet. De rechter gaat op de familie jagen, de familie op de rechter. Iedereen zit achter iemand aan, vlucht weg, anticipeert op derden. Op den duur weet niemand meer wie welke kwaad in de zin heeft, dus er is geen enkel zicht op een ontknoping, maar juist daardoor krijgt Lanoye de kans zijn punt te maken. Overheid, bedrijfsleven en justitie, verwikkeld in onnavolgbare en schemerachtige intriges – ziedaar het verderf van België.

Kaleidoscoop

Het is een beeld dat twee jaar terug in Vlaanderen een kleine bominslag veroorzaakte door zijn herkenbaarheid. Het goddelijke monster werd met De geruchten en Onvoltooid verleden van Hugo Claus een van de boeken die, gewild of niet, vuur gaven aan het België dat radeloos de straat op ging in Witte Marsen. De roman raakte de tijdgeest op de zenuw. Maar twee jaar later rijst de vraag of België niet aan een ander beeld toe is. De stroom schandalen droogt een beetje op, de oude politieke kaste is op straat gezet, het nieuwe kabinet is fris en innovatief en net zo paars als in Den Haag, met een groen randje zelfs – baas boven baas in nationale eensgezindheid. Het land lijkt in een mum van tijd weer opgenomen in een Algemeen Beschaafd Cultuurpatroon.

Het goddelijke monster raakt daarmee iets van zijn glans kwijt. Het wordt een boek waar je op terugkijkt, nu al, en ik maak me sterk dat Lanoye die draai van de geschiedenis niet heeft zien aankomen toen hij zat te schrijven. Op de laatste pagina liet hij in triomfantelijke kapitalen `EINDE DEEL EEN' vermelden, in de kennelijke zekerheid dat hij op dit stramien nog minstens één deel voort kon. Hij dacht er blijkbaar niet aan dat hij door de tijd kon worden ingehaald en legde zich voor jaren vast.

Zo ligt er nu een tweede deel, Zwarte Tranen, 521 vel maar liefst en trouw aan Het goddelijke monster. Het verhaal vertakt zich verder en verder tot een tollende kaleidoscoop van scènes die, zoals de achterflap behulpzaam meldt, het beeld opleveren `van een uiteenvallende familie in een uiteenvallend land in het hart van Europa'.

Lanoye stands by his story, met andere woorden, en Zwarte tranen krijgt daardoor iets van een wedstrijd. Nu het nationaal verderf dat de roman beschrijft niet meer voortdurend ondersteund wordt door het krantennieuws gaat het er om de lezer desondanks te overtuigen. Lanoye moet zich bewijzen, moet zijn visie toch plausibel maken, en hij spant zich daar ook zichtbaar voor in. Hij neemt er geen genoegen mee je het verderf alleen te tonen, hij probeert het ook in kaart te brengen.

Lanoye wil naar de wortel van het kwaad. Hij richt zich daartoe op Katrien Deschryver, dochter van Herman en met voorsprong de merkwaardigste figuur die hij laat opdraven. Zij is in het bezit van een verpletterende schoonheid, zo onwezenlijk en eigenlijk zo leeg dat iedereen zijn eigen ziel erin kan leggen. Voor de een is ze een stoeipoes, voor de ander een icoon van kuisheid, en het curieuze is dat ze zich moeiteloos aan al die verwachtingen aanpast. Ze wordt wat men wil dat ze is. Ze is het `plastic spiegeltje waar anderen hun verlangens in zien kaatsen'.

Daarmee wordt Katrien de sprookjesachtige belichaming van een karaktertrek, niet van haarzelf maar van die anderen, die allemaal één ding gemeen hebben. Hoezeer ze zich ook met hun medemensen inlaten, ze hebben geen idee wat er in die medemensen omgaat en ze vragen zich dat meestal ook niet af, dus alles wat ze van hen terugkrijgen is een weerkaatsing van hun eigen hersenspinsels. Ze leven ieder in een eigen, eenpersoons universum, als gevangenen in een cel, en de muren van die cel bestaan uit spiegels.

Morele leegte

Het gevolg is een volledige onttakeling van hun sociale wereld. Er is niets meer om met anderen te delen, er is zelfs geen reden meer om rekening met anderen te houden, dus wat overblijft is argwaan en vervreemding en vergetelheid. Leegte, in de kern. Morele leegte, en als ik me niet vergis ligt daar de bron van het verderf van België volgens Lanoye. Het is een land dat in een vacuüm leeft, een vacuüm van de moraal.

Of die analyse overtuigend is moet elke lezer voor zichzelf maar uitmaken, het is in elk geval een analyse die niet vastzit aan de actualiteiten van de dag. Maar het is vooral een analyse, viel mij op toen ik het boek uit had, die een ondermijnende bijgedachte wakker roept. Want al die personages in dit vacuüm zullen niet voor niets de achternaam Deschryver dragen. Ze behoren zogezegd tot de familie van de schrijver. Hij beschouwt ze als zijn vlees en bloed en zegt daarmee nog iets heel anders dan: zie België. Hij zegt: zie mij.

Daarmee trekt Lanoye de beide delen van dit grote boek in één beweging binnenstebuiten. De wereld wordt zijn eigen binnenwereld. De beschuldigende vinger die hij uitsteekt richt zich op hemzelf. Het vacuüm van de moraal, dat is het zijne, en de almacht die hij zich als schrijver aanmeet als hij zijn Deschryvers in de wereld zet is al met al dus een vermomming van volstrekte onmacht. Hij heeft geen alternatief, hij staat met lege handen.

Dat is een ontluisterende zelfonthulling, die je even met ontzag vervult. Het toont een eerlijkheid die niet veel mensen opbrengen en een zelfinzicht waarvoor hetzelfde geldt. Want het is waar, als je goed leest. Het is zelfs zo waar dat Lanoye die waarheid wel kan noemen, maar er daardoor nog niet aan ontsnapt, en dus uiteindelijk de sleutel aanreikt tot een pijnlijke ontdekking: hij heeft simpelweg geen macht over zijn onderwerp.

Je merkt dat nog het best aan zijn stijl. Hij zet zijn personages neer als uitvergrotingen van echte mensen, kolossale wanschepsels, en je ontkomt niet aan de indruk dat hij er behagen in schept hun weerzinwekkendheden uit te meten. Er zit een koude kern van wellust in zijn toon, alsof hij zijns ondanks van het verderf geniet, en daarmee legt zijn stijl een wat je noemt belastende getuigenis over zijn werk af. Hij laat zich meeslepen door wat hij eigenlijk zou willen uitbannen. Het gaat volkomen met hem op de loop.

Dat gaat in dit nieuwe deel zelfs zover dat hij scènes inlast, soms wel vijftig pagina's, die voor de samenhang van het geheel niet nodig zijn. Ze leveren verderf om het verderf, in een taal die vaak briljant is, vonkend, zwiepend, ritmisch en nerveus, maar die je toch voornamelijk met één vraag achterlaat. Waar wil dit heen? Wat wil die vertellersstem, die niet meer op kan houden en maar ratelt, tatert, hamert?

Zwarte tranen is daarmee een boek waar je uiteindelijk met enige verbijstering bij achterblijft. Het is een boek dat op de tijdgeest wil inspelen, maar eigenlijk iets raadselachtig anders doet. Een boek dat met zijn 521 dichtbedrukte pagina's toch nog maar een brokstuk is van een geheel. Een boek dat als vervolgdeel uit de aard der zaak geen erg bevredigend begin heeft, middenin van wal steekt en dus moeilijk los te lezen is, en daarna ook nog eens geen erg bevredigende afloop heeft. Want op de laatste pagina staat `EINDE DEEL TWEE'. Lanoye is nog niet klaar, mogen wij weten. Lanoye gaat door. Lanoye zit in precies zo'n cel vol spiegels als zijn personages, ben ik bang. Hij weet dat hij daar zit. Hij weet alleen niet hoe hij moet ontsnappen.

Tom Lanoye: Zwarte tranen. Prometheus, 521 blz. ƒ39,90

    • Hans Goedkoop