Levend water

De zeeschilderijen van Oskar Mendlik zijn zo natuurgetrouw, dat experts direct zien op welke oceaan hij ze maakte.

Uit het dagboek van Oskar Mendlik: `Maandag 30/1 (1939). Om half 8 sta ik op. Niet zonder moeite kruip ik uit mijn kooi met mijn pijnlijke ledematen in een vrij sterk slingerend schip! Sterke Zuidoost-wind, frisch. De zee vrij hevig, staalgrijs blauw, met schuimkoppen en de karakteristieke windstrepen. Na 't ontbijt schilder ik op de bakboordkant. De stuurman en de matrozen, die juist aan 't schoonmaken van de burg waren, helpen alles stevig vast te binden. Hier zit ik goed beschut.'

Tot drie uur 's middags werkt hij door, warm ingepakt. De storm, die `mooie rollers' brengt, zwelt aan tot bijna een orkaan, en hij maakt nog een `groote krijtschets'. Na het avondeten hoort hij met kapitein en stuurlui op de radio Göring die de Reichstag opent; daarna de Führer zelf, waar ze snel genoeg van krijgen. Na een spelletje Monopoly gaat het vroeg naar kooi.

De zeeschilder van Hongaarse afkomst Oskar Mendlik is dan 67 jaar oud en op weg met een vrachtschip naar West-Indië. Thuis in Aerdenhout, waar hij sinds 1904 woont, werkt hij de schetsen uit tot schilderijen. Als portretschilder was hij succesvol, maar bovenal was hij bezeten van de zee; het proberen te vangen van de kleurschakeringen van het pure zeewater, golven met de lucht erboven, zonsondergang of volle maan, maar verder niets; vogels, schepen, noch verre kust. Dat was zijn levenswerk, een filosofie, bijna een religie, in de plaats gekomen van het ouderlijk geloof. `Wat een prachtige lucht heb je geschilderd' zei zijn vriend en collega G.H. Breitner, die toen ook in Aerdenhout woonde, op Mendliks atelier, `maar daaronder moet je niet de zee maar een boerderij met geel verlicht raampje en donkere bomen schilderen.'

Mendlik reageerde ongetwijfeld hoffelijk, want zo was hij, maar trok zich er niets van aan. Hoewel hij uitzonderlijk productief was, bij exposities overwegend prachtige kritieken kreeg, hier en in Hongarije, geliefd was bij schilders met nog steeds bekende namen, zoals Willem Witsen, Cornelis Veth, is hij zo goed als vergeten en zijn werk brengt weinig op. Grad de Graaf, die hem portretteerde in een kloeke doctoraalscriptie: Oskar Mendlik, schilder met zeebenen, (1993), schat dat er van deze schilder meer dan 650 schilderijen en aquarellen bestaan. Ondanks de Hollandse lange, vruchtbare traditie van zeeschilders, staat Mendlik met zijn pure zee en lucht zo goed als alleen, de talrijke productie van kladschilders (zie de Rotterdamse etalages) niet te na gesproken. Andere grote zeeschilders, zoals Mesdag, concentreerden zich meer op spectaculaire Hollandse luchten dan op het water eronder, altijd met schepen, meeuwen, strand. Na een frustrerende zoektocht voor een boekomslag, naar een geschilderde schepenloze zee, stuitte ik op een antiquarisch jubileumboek uit 1956, honderd jaar Koninklijke Nederlandse Stoomvaartmaatschappij (KNSM), met als schutblad Mendliks Storm op de Atlantische Oceaan, waarvoor ik als een blok viel. In het echt zag ik het bij de Koninklijke Nedlloyd in Rotterdam, die zes Mendliks bezit. In het restaurant prijkt een groot zeegezicht, kalmer en lichter blauw. De Storm uit 1956 hangt in de vergaderzaal. ,,Als oud-zeeman moet ik zeggen dat hier de oceaan buitengewoon goed getroffen is'', fluisterde naast me conservator J. van der Hidde, terwijl achter ons in het Engels werd vergaderd. Sprakeloos staarde ik in de regenwolken, waar de zon probeerde door te breken, de donkerblauwe, schuimende, wilde golven, die ik bijna hoorde.

Zoiets overkwam oud-marineman Grad de Graaf, toen hij op een tentoonstelling in het Groninger scheepvaartmuseum eind 1991 werk van Mendlik zag. Na zijn vroege pensionering als kapitein ter zee, was hij in Leiden kunstgeschiedenis gaan studeren. Hem trof de weergaloze natuurgetrouwheid. Als oceanograaf, die onderzoek deed voor zeekaarten, kan hij aan Mendliks schilderijen zien, op welke oceaan de schilder zich bevond, waar ongeveer en hoe laat op de dag.

De Graaf sprak met familie, tijdgenoten, keek rond in Boedapest en had veel aan Mendliks handgeschreven Herinneringen aan kunstenaars te Aerdenhout. Hoe komt een Hongaar, die zeeloos opgroeit, aan die passie?

Keizer Franz Jozef

Oszkár Johan Alfdred Mendlik werd op 23 juni 1871 geboren in het Hongaarse dorpje Radváncz, in een romantisch landschap, waar hij in de vakanties vaak rondzwierf, nadat het gezin naar Boedapest was verhuisd. De vader was leraar wiskunde. Het was een katholiek, muzisch gezin, waar talent werd aangemoedigd. De ouders, die het niet breed hadden, stuurden hem naar het beste gymnasium, voor de zeer rijken. Daardoor was hij eenzaam in de klas, maar hij genoot van de klassieke opleiding. De liefde voor Goethe, Shakespeare, Homerus, behield hij zijn leven lang en droeg hij later uit op culturele bijeenkomsten in Aerdenhout, ook in bezettingstijd, toen het clandestien moest gebeuren.

Met schoolvakantie in het Tatra-gebergte maakte hij kennis met de Hongaarse schilder József Molnar, die aanbood hem na de vakantie les te geven, op zijn atelier. Voortaan bracht Oszkár daar bijna al zijn vrije tijd door. Na zijn eindexamen in 1890 ging hij naar de academie, waar hij schilderles kreeg van Bertalan Székely von Adámos, die groot succes had in hogere kringen, maar minder bij de progressieve kunstenaars van zijn tijd, die niet meer zo dol waren op mythologische en historische taferelen. In de `koninklijke' ontvangkamer in de opera van Boedapest is een plafondschildering van hem te zien. Van Székely leerde Mendlik vakmanschap en een levenslange liefde voor Schopenhauer, wiens filosofie over de kunst hij met de zee in verband bracht, waarover hij later graag doceerde. Als student kwam hij, vooral als Wagner werd gegeven, veel in de opera waar Gustav Mahler intendant was. Hij deed niet mee aan het kroegleven, maar voerde ernstige discussies met medestudenten over kunst, filosofie, het raadsel der natuur, religie.

Cum laude geslaagd voor het examen tekenleraar, ging hij lesgeven, om zijn verdere studie te betalen aan de `Meesterschool voor fresco-schilders', waar Károly Lotz doceerde, die vooral beroemd werd om zijn geschilderde plafond van de grote zaal in de Boedapester Opera. In 1896/'97, toen Hongarije zijn duizendjarig bestaan vierde, werd Lotz zo overstelpt met opdrachten, dat hij wel eens wat afschoof. Zo mocht Mendlik het plafond van het Blijspel-theater schilderen, dat helaas in de Tweede Wereldoorlog werd weggebombardeerd. Ook schilderde hij een statieportret van keizer Franz-Josef van Oostenrijk, koning van Hongarije, die een levenslange fan van hem bleef, en meerdere doeken van hem kocht, ook toen Mendlik al in Nederland woonde.

Lente 1891, bijna twintig, had Mendlik voor het eerst de zee aanschouwd, bij Fiume, toen nog een uithoek van Hongarije, het latere Joegoslavische Rijeka. In de vakanties begon hij nu kustlandschappen te schilderen, met en zonder scheepjes. Voor een branding bij Ragusa, het latere Dubrovnik, kreeg hij een prijs en hij verkocht het doek voor het destijds mooie bedrag van duizend gulden, ondanks een vernietigende kritiek in de Pester LLoyd.

Met een stipendium kwam hij in 1899 naar Rome om verder te studeren. Aanvankelijk was hij er eenzaam en terneergeslagen door het overweldigende kunstaanbod, maar allengs raakte hij ingeburgerd. Op de Adriatische zee was zijn schip eens door een storm overvallen en bijna vergaan. Dat inspireerde hem tot het doek De Vliegende Hollander. Collega's in Rome zagen er weinig in, maar in Boedapest viel het zeer in de smaak en het werd het door de staat aangekocht. In 1899, in Rome, schilderde hij een zonsondergang op zee, voor het eerst zonder kust of schepen. Keizer Franz-Josef vond het prachtig. Nog nooit had hij zout water zo natuurgetrouw afgebeeld gezien. De kunstkritiek en de collega's dachten er anders over. Ze vonden het leeg, armoedig, fantasie- en inhoudsloos. Mendlik schrijft dat nogal verbitterd, maar was overtuigd dat hij zijn bestemming had gevonden.

Betovering

Intussen had hij op zijn Romeinse atelier veel aanloop van kunstenaars, die hij verzocht iets in zijn gastenboek te schrijven of te tekenen. `Als indringster was ik zeer gelukkig erbij te zijn, het was een heel gezellige avond', schreef maart 1900 in het Duits de Nederlandse beeldhouwster Julie Mijnssen, die ook met een beurs in Rome studeerde. Een half jaar later trouwden Mendlik en Julie in Amsterdam. In 1901 gingen ze in Scheveningen wonen. Mendliks Nederlandse periode was begonnen. Ozskár werd Oskar. Hij ging hier nooit meer weg. Opgetogen was hij over wat hij hier aan schilderkunst aantrof, zoals de Haagse School, en anderen, zoals Breitner en Marius Bauer, later goede vrienden. In 1904 betrok het gezin een villa in Aerdenhout, Erdölak (Boszicht) met voor man en vrouw elk een groot atelier. ,,Er was een prachtige, romantische tuin'', vertelt zijn kleinzoon, Johannes Mendlik, die president is van de Rotterdamse rechtbank. Zijn vader, Mendliks enige zoon, was scheikundige; zijn zuster Eva is beeldhouwster. ,,Wij kinderen hadden er geweldige zomervakanties. Beneden was het atelier van grootmoeder, boven dat van grootvader. Dat had voor ons een speciale betovering, of het er spookte. Op het portaal stonden schilderijen onder draperieën. Je kwam binnen door zware gordijnen. Over de sofa, waarop opa 's middags de benen strekte, lag een oude pers. Verder stonden er een paar ongemakkelijke stoelen en een paar ezels; op een ervan was hij aan het werk. Het was er een komen en gaan. Als er kopers kwamen, luisterden wij kinderen met rode oortjes. Hij pakte een schilderij, plaatste het op een ezel en hield er een prachtig verhaal bij, vol filosofieën, bijvoorbeeld over de mystiek van het levende water. Hij was heel sterk in het moppen vertellen en vol aforismen, zoals `Erstens ist es anders, zweitens als du denkst'. Met grootmoeder sprak hij Duits.'

Een gekocht schilderij ging hij zelf brengen en hij gaf aanwijzingen waar het moest hangen. Het riante Rotterdamse huis van de kleinzoon en zijn vrouw is een klein Mendlik-museum. Mendliks in alle kamers; de Adriatische kust met zwarte rotsen, uit de vroege tijd, een schattige Johannes Mendlik, een jaar oud, in kinderstoel. Een portret van een knap meisje, Johannes' moeder, toen ze zestien was, in de Eerste Wereldoorlog, en als leidster meekwam met een transport ondervoede kinderen. Mendlik, die het organiseerde en de kinderen onderbracht bij Aerdenhoutse families, vond het meisje wel iets voor zijn zoon.

Tegenover elkaar hangen portretten van Oskar en Julie in Rome in 1900, gemaakt door een bevriende kunstenaar. Julie met grote witte hoed, voile, witte jurk. Hij met strikdas, snor, olijke oogjes, een levenskunstenaar. Hij moet nogal een rokkenjager zijn geweest. Op een later portret dat Mendlik van Julie maakte, kijkt ze melancholiek. Ze was niet gezond. Op een dag in 1936, toen ze juist van een reis naar Engeland terugkwam, vond hij haar dood in haar atelier. Na deze verplettende slag, schreef hij, begroef hij zich in het werk.

`Tentoonstellingen zijn de grafkelders van de kunst', placht hij te zeggen. Kopers moesten maar naar zijn atelier komen. Toch moest hij er aan geloven. In 1912 richtte de Amsterdamse kunsthandel E.J. van Wisseling en Co een overzichtstentoonstelling in; Mendlik was blij verrast door de gunstige ontvangst. In 1915 exposeerde hij bij het Haagse Pulchri (dat hem eerst als lid had afgewezen), in 1921 in het Amsterdamse Stedelijk Museum, in 1937 met Julie in het Frans Halsmuseum. Kunsthandel Leffelaar, ook in Haarlem, vierde zijn zeventigste verjaardag met een eretentoonstelling, en een mooi verzorgde catalogus, die ik in geen enkele bibliotheek kon vinden.

Onder de steenrijke elite in de Aerdenhoutse villa's verwierf hij allengs een reputatie als portretschilder. Het was een geliefde woonplaats van grote reders. Sommigen beklommen de trap naar zijn atelier om een portret af te spreken, zagen de zeetaferelen en ondergingen daarbij, of ze wilden of niet, een bevlogen toelichting. Zo kwamen ze op het idee hem mee te laten varen met hun maatschappij, soms voor een speciale opdracht. Het liefst voer hij mee met kleine vrachtschepen, waarop je geen last had van nieuwsgierige passagiers.

Voor de zeelui moet hij een opmerkelijke verschijning zijn geweest, altijd hoffelijk, met z'n vreemde accent, die rare aristocraat, die ook op kleine scheepjes nooit zeeziek was, die als het stormde, `als Odysseus' vastgebonden, urenlang zat te penselen, en die als hij uitrustte Schopenhauer las of Goethe's Faust. Alle wereldzeeën bevoer hij. In 1957, bijna tachtig, maakte hij zijn laatste reis, met de KNSM naar de Levant.

Zijn negentigste verjaardag in 1961 is groots gevierd, met een eretentoonstelling, veel aandacht van de pers en een receptie in het Scheepvaartmuseum van de KNSM, waar hij het meest mee had gereisd. Kort voor zijn dood schilderde hij een statig zelfportret, een rijzige, keurig geklede heer, met wit haar, ezel, penseel en palet, staande op zijn balkon, met op de achtergrond zee. Hij stierf op negen februari 1963 in Aerdenhout. Daar werd een laan naar hem genoemd. Het gastvrije Erdölak bestaat niet meer. De verbouwde villa bergt een kantoor van de Thuiszorg. Ook de tuin heeft zijn romantiek verloren.

Symposium `Creatief op zee'. 19/11 in het Scheepvaartmuseum, Kattenburgerplein 1, Amsterdam, 13-18u. Inl. tel. 020 5232360. Remmelt Daalder: Tekenen op zee. Reizende kunstenaars en creatieve zeelieden. Uitg. Walburg Pers, Prijs 49,50.

Keizer Franz Josef bleef doeken van Mendlik kopen

Mendlik liet zich als Odysseus vastbinden om de zee te schilderen

    • Lisette Lewin