Het huis van Muddy en Chuck

Twee Poolse broers begonnen in 1947 in Chicago met een platenmaatschappij. Chess Records werd het meest veelzijdige label van het rock'n'roll-tijdperk.

Over de eerste ontmoeting tussen de Rolling Stones en Muddy Waters bestaat een hardnekkig misverstand. De Stones, in Chicago tijdens hun eerste Amerikaanse tournee in juni 1964, bezochten de Chess-studio aan South Michigan Avenue om een lang gekoesterde wens in vervulling te laten gaan. Manager Andrew Loog Oldham had een opnamesessie gearrangeerd op de heilige grond waar grote voorbeelden als Howlin' Wolf, Muddy Waters, Chuck Berry en Bo Diddley muziekgeschiedenis hadden geschreven. Tot hun stomme verbazing bemerkten de Stones bij het binnentreden dat de grote blueslegende Muddy Waters er juist bezig was het plafond te witten.

Onzin, zegt Marshall Chess (de zoon van Chess-oprichter Leonard Chess) op de interviewdisc die als voetnoot is toegevoegd aan de cd-box 2120 South Michigan Avenue: The Chess Story 1947-1956. Muddy Waters zou zelfs in zijn eigen huis nog geen kwast ter hand hebben genomen, laat staan dat hij iets had willen bijverdienen met schilderwerk. Het indianenverhaal over Waters' minderwaardige status in de door blanke zakenlieden gerunde Chess-studio is waarschijnlijk afkomstig uit de koker van Oldham, die er belang bij had om de Amerikaanse avonturen van de Rolling Stones tot mythische proporties op te blazen. Marshall Chess geeft een andere reden waarom Waters, Berry en Diddley hun legendarische neuzen lieten zien bij de Stones-sessie. Ze wilden zich er hoe dan ook van verzekeren dat die bleke Engelse rocksterren één of meer van hun songs op zouden nemen, met het oog op het internationale poppubliek dat goed was voor een veelvoud van de royalties die ze tot dan toe hadden ontvangen.

Chess Records werd in 1947 opgezet door Leonard en Phil Chess, twee Poolse immigranten die na een leerperiode in de lompenhandel van hun vader wel brood zagen in de lokale muziekbusiness. Chicago was een magneet voor de zwarte plattelandsbevolking uit het zuiden van de VS, die vaak letterlijk van de katoenplantage naar de industriegebieden trok. Tegelijk met de duizenden nieuwe fabrieksarbeiders kwamen de bluesmuzikanten, die hun klaaglijke country blues in de grootsteedse omgeving ontwikkelden tot een agressievere elektrische variant. De Chess-broers maakten geen verschil tussen blues, boogie woogie of zoetsappige popmuziek; als het maar verkocht. Tussen de vriendelijke muziek van pianist Forest Sykes' Tonky boogie en het mierzoete White cliffs of Dover van The Blue Jays klinkt de vroege Chess-blues van Muddy Waters, Howlin' Wolf en Little Walter angstaanjagend rauw en schaamteloos wellustig. Niemand wist het woord `love' zo prachtig te rekken als Muddy Waters: `I want you to luuuuhhrve me baby!'

Kapperszaken

McKinley Morganfield alias Muddy Waters (1915-1983) was in veel opzichten de drijvende kracht van Chess in de beginjaren. Zijn (I feel like) Going home kwam in 1948 hoog in de nationale rhythm & blues-hitlijst en gaf de Chess-broers een eerste indicatie dat hun gebruiksmuziek voor de zwarte bevolking van Chicago ook een landelijke uitstraling zou kunnen hebben. Een netwerk van platenwinkels was er nog niet en de primitieve distributie vond plaats via `zwarte' winkels en kapperszaken, die nooit meer dan een handvol exemplaren in voorraad namen.

Toen parttime-vrachtwagenchauffeur Muddy Waters op een zaterdag zijn I can't be satisfied uit een winkel hoorde schallen, bleek tot zijn grote woede dat men hem zijn eigen plaat niet wilde verkopen voor de gangbare prijs van 79 dollarcent. De prijs werd opgedreven omdat stationskruiers `hotte' plaatjes opkochten om ze met een forse winstmarge aan treinreizigers te verkopen, en een dag na verschijning moest I can't be satisfied al het dubbele van de oorspronkelijke prijs opbrengen. Ook voor de artiest zelf, die het nummer zes maanden eerder had opgenomen en die niet wist dat het al op plaat was verschenen.

Het is nauwelijks voor te stellen dat Chess aan oplages van enkele duizenden exemplaren genoeg had om een onafhankelijk platenbedrijf in stand te houden, dat nu met andere kleine labels als Sun, Vee-Jay en Specialty tot de bakermat van de Amerikaanse roots-muziek wordt gerekend. Het in 1951 op voorspraak van bandleider Ike Turner uitgebrachte Rocket 88 van zanger Jackie Brenston uit Turners Rhythm King wordt beschouwd als de eerst rock'n'rollplaat. Met Maybellene van Chuck Berry en het hoekige jungleritme van Bo Diddley zette Chess de rock'n'roll definitief op de kaart, gevolgd door de doowop-tienersymfonieën van The Moonglows en The Flamingos. Terwijl Muddy Waters het gezicht bleef bepalen, sloeg Chess de vleugels uit naar de New Orleans-rhythm & blues van Clarence `Frogman' Henry, de hitgevoelige jazzmuziek van Ramsey Lewis en de onversneden soul van The Dells.

My ding-a-ling

Als het meest veelzijdige platenlabel van het rock'n'roll-tijdperk bleef Chess zich ontfermen over blues- en soulartiesten als Etta James, Joe Tex, Buddy Guy en The Dramatics. Het wrangste hoofdstuk in de geschiedenis van het label dat als toonbeeld van kwaliteit te boek staat, is dat het de grootste internationale hit scoorde met het slechtste nummer dat rockpionier Chuck Berry ooit op de plaat zette. De live opgenomen noveltysong My ding-a-ling (1972) met een schuine tekst van het kaliber `here's to those who will not sing/ you must be playing with your dingalingaling' werd Berry's enige Amerikaanse nummer 1-hit, een notering die hij met klassiekers als Roll over Beethoven, Johnny B. Goode en Sweet little sixteen niet gehaald had.

Marshall Chess, die het platenvak leerde in het familiebedrijf van zijn vader en oom en die op 2120 South Michigan aanwezig was toen de Rolling Stones er hits als It's all over now en Satisfaction opnamen, werd in 1971 directeur van Rolling Stones Records. Met lede ogen moest hij toezien hoe Chess in 1975 werd verkocht aan een produktiemaatschappij die vooral geïnteresseerd was in heruitgaven van het oude bluesmateriaal op goedkope verzamel-elpees. De catalogus is nu in handen van MCA/Universal, dat met de vijftiendelige box The Chess Story 1947-1975 een kleurrijk overzicht van het duizelingwekkende aanbod aan blues-, rock-, pop- en soulmuziek op Chess heeft verzameld. Met meer dan 300 nummers en 16 uur muziek is het een indrukwekkende staalkaart, die schreeuwt om de goede Chess-discografie en artiestenindex die in het bijbehorende boekwerkje ontbreken. Ook The Story of Chess Records van John Collis (Bloomsbury, 1998) biedt weinig meer dan een opsomming van artiesten met mooie plaatjes, zoals de publiciteitsfoto waarop Chuck Berry zijn fameuze duckwalk demonstreert. De opmerkelijkste afbeelding is die van een Engelse EP-hoes van Howlin' Wolf anno 1960, gesierd met de geenszins representatieve afbeelding van een mondharmonica spelende (blanke) cowboy tegen de achtergrond van een jankende wolf op een bergtop. De hoes, hoe kan het anders, is blauw.

`2120 South Michigan Avenue: The Chess Story 1947-1975', 15-delige cd-box. MCA/Universal, 3805962.

`I want you to

luuuuhhrve me baby!'

    • Jan Vollaard