Het fortuin van de binnenvetters

Waar zijn de grote fortuinen gemaakt, vroeg de Amerikaanse beursspeculant I. Boesky (,,hebzucht is okay'') in 1985 aan een sollicitant. Het financieel avonturisme en de beurshausse waren toen nog maar net begonnen. Het goede antwoord, volgens Boesky: olie, vastgoed en financiële dienstverlening.

Is de trits in Nederland anders? Het maandblad Quote trok vorige week meer dan ooit aandacht in de media met zijn speciale uitgave van de 500 rijkste Nederlanders. Heel rijk zijn is in, hebzucht geen taboe. Om op de Quote-lijst te komen is dit keer 45 miljoen nodig, 10 miljoen meer dan vorig jaar.

,,We bevinden ons in een soort ultieme staat van kapitalisme'', zei marketingdeskundige A. Platteel twee weken geleden in Het Parool. ,,Het is zo gemakkelijk veel geld te verdienen. Maar je moet je wel voortdurend bewijzen en dat geeft een enorme druk.''

Quote heeft een van Amerika's aardigste fascinaties in het Nederlands vertaald. Beter goed gejat dan slecht zelf bedacht. Amerikanen hebben iets met cijfers, of dat nu in sport, politiek of financiën (Dow Jones beursindex) is. En zij hebben iets met geld, de ultieme maatstaf van succes. De combinatie van die twee heeft lijstjes opgeleverd, zoals de Fortune 500 (grootste bedrijven), de Forbes 400 (rijkste Amerikanen) of de 50 leidende mensen in de media- en informatietechnologie (Vanity Fair).

Waar haalt de Nederlander zijn rijkdom vandaan? Door te ondernemen en met de onderneming naar de effectenbeurs te gaan, maar per se nodig is dat – in tegensteling tot de Verenigde Staten – niet. In de topdrie staan twee families, Brenninkmeijer (van C&A, nummer één met 15 miljard gulden) en Fentener van Vlissingen (SHV, reisorganisatie BCD Holdings, nummer drie, met 8,5 miljard), die voor hun bedrijf geen beursnotering hebben.

In de toptien zijn het er drie (Blokker, van de winkels, is nummer negen). En als je de beleggers van het erfkapitaal erbij optelt (Koninklijk Huis, familie Pon), blijven nog maar vijf ondernemers met een beursnotering over. Het volkskapitalisme mag zich dan hebben gevestigd in Nederland, om echt rijk te worden is hard werken en kapitaal accumuleren binnen de onderneming (,,binnenvetten'') kennelijk nog voldoende.

Het zegt wel iets over de rol van de kapitaalmarkt in het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse economie: die is van oudsher ondergeschikt en die traditie wordt niet in enkele jaren van beurshausse ongedaan gemaakt. De concurrentietoets van de Nederlandse economie die het ministerie van Economische Zaken deze week presenteerde, noemde het ook nog eens een keer.

Gek genoeg geeft Quote zelf maar weinig inzicht in de vraag waar het nieuwe geld verdiend wordt en of daar, ten opzichte van bijvoorbeeld de eerste lijst, conclusies uit kunnen worden getrokken over veranderingen in de economie. Handel, industrie en onroerend goed zijn de pijlers onder de economie, zegt het blad en onderstreept daarmee Boesky's retorische vraag uit de jaren tachtig. Maar Quote is nog stelliger: ,,Het grootste deel van de Quote 500 heeft zijn wortels in de negentiende eeuw''.

Tja, het is maar hoe je telt. Als grootvader het bedrijf rond de eeuwwisseling oprichtte, heeft het formeel zijn wortels in die tijd, maar zonder ondernemingslust van de tweede en derde generatie had de eenmanszaak nooit een fortuin gemaakt.

Zie je de ondernemers van de nieuwe economie (diensten, informatietechnologie, media) oprukken op de lijst? Het aantal Internetmiljonairs op de lijst is van een naar twee gestegen, een groeipercentage dat herinneringen oproept aan een planeconomie. De gelukkige is A. van Hoff, mede-oprichter van Marimba, een Californisch bedrijf dat naar de Amerikaanse schermenbeurs Nasdaq ging.

Ook de vrouwen rukken maar traag op, terwijl de nieuwe economie minder dan ooit gebaseerd is op 19-de en 20-ste eeuwse industrieën met een macho-uitstraling (staal, energie, auto`s). Quote komt zelf op tien vrouwen, maar gebruikt om de haverklap de aanduiding familie en soms `erven', zodat de werkelijke verdeling van het kapitaal voor de lezer schimmig blijft. De eerste self made vrouw (Tóth, van Content uitzendbureaus) staat op 99, terwijl N. Brink (World Online) totaal ontbreekt.

Wat nog meer opvalt zijn de namen die niet voorkomen. In de lijst staat geen enkele topmanager die door de minister-president van exhibitionistische zelfverrijking na optieregelingen werd beticht. Wel een serie Nederlanders in Amerikaanse dienst met aandelen/optieprogramma`s (Ruding, Verwaayen, De Vink, Jager). Was alle politieke en maatschappelijke tumult dan voor niets? Zelfs de voorman van Aegon, de onderneming met de meest spectaculaire koersontwikkeling, ontbreekt. Ten onrechte.

Nog teleurstellender is dat ook M. van den Biggelaar, uitgever van Quote zelf, de lijst weer niet heeft gehaald. En dat terwijl hij via familie aan de Brenninkmeijers is gelieerd en ook mede-eigenaar is van modeblad Elle en van muziekkanaal The Box. Waar doe je het dan allemaal voor?

    • Menno Tamminga