Ha, de torenkraai

Kraaiachtigen vormen de intelligentsia van de vogelwereld. En daarvan vormen kauwen voor mensen de belangrijkste spreekbuis. Deze `torenkraaien' combineren hun intelligentie aan een handzaam formaatje, en ze zijn haast overal gratis te zien. Ze zijn ook weergaloos mooi, met alle schakeringen tussen diepglanzend zwart en zilvergrijs. En natuurlijk, ze hebben het Oog. Raven en zwarte kraaien laten zich met hun donkere ogen moeilijk peilen. Maar de kauw geeft met zijn felle, razendsnel van grootte veranderende pupillen in helder grijswit doorlopend zicht op zijn stemmingen en interesses van het moment. Combineer dat met een levendig groepsleven, een sprekend stemgeluid en expressieve kopveertjes onder een scheef gedragen zwart alpinopetje, een doortastende maar soms tedere snavel, en nou ja, laten we het erop houden dat kauwen zelfs lekker rúiken. Ze zijn verslavend.

Zonder twijfel is op dit moment de Belgische beeldend kunstenaar Achilles Cools een van de ernstiger verslaafden. Hij heeft zijn huis en tuin in de Kempen voor die dieren ingericht, en steeds meer, zijn leven. De Kauwentuin is het tweede boek dat hij aan de vogels wijdt, na Kauwen in de spiegel uit 1992. Zijn nieuwe boek gaat niet alleen over voorvallen in de grote kolonie kauwen die vrij leeft op en rond zijn erf. Kunstschilder Cools observeert vooral zichzelf bij zijn zoektocht naar de aard van de kauw. `Nieuwsgierige kauwen verrichten ook hun eigen onderzoek naar mij. Ik probeer hun leven te vatten door zelf in dat verenpak te kruipen en van daaruit de wereld te begrijpen.'

Verschillende kauwen met hun uiteenlopende sociale talenten passeren de revue. Cools zet ze mooi neer als karakters. Veralgemeniseren over de `de' kauw doet hij zelden. Maar er zijn boeiende uitzonderingen. `Leiderschap is beslist niet alleen een kwestie van lichaamskracht; karaktervastheid en zelfvertrouwen spelen waarschijnlijk zelfs een grotere rol bij het verwerven ervan. De ene maakt carrière, klimt op in de hiërarchie door zijn schranderheid, zijn kennis, de andere door zijn kennissen. Kauwen spelen elkaar de bal toe, als dat zo uitkomt. Een goede verstandhouding met de meerdere is essentieel voor elke kauw.'

Cools doet af en toe wat gewichtig over zijn wetenschappelijke aanpak, maar tegelijkertijd meent hij: wat te bewijzen valt is niet interessant, en wat interessant is, valt niet te bewijzen. Hij is er niet minder stellig om. `Dieren kennen zeker gevoelens zoals tederheid, trouw, vreugde, uitbundigheid, liefde, trots, wroeging, angst, schuldgevoel, ongeloof, ontzag, minachting, wantrouwen, verdriet, boosheid en verbazing. Ze kunnen eenzaam zijn, verliefd, ontgoocheld of nieuwsgierig.' Akkoord, de lezer wil het graag geloven, en het blijkt ook wel uit de levendige beschrijvingen. Maar met evenveel gemak poneert Cools: `Ze kunnen nostalgisch terugzien en vooruitzien naar geluk.' Elders beweert hij dat kauwen puur aan het heden gebonden zijn.

Maar zijn bevlogenheid is aanstekelijk. Dit is een oprechte poging de eigen inzichten en gevoelens over kauwen op papier te krijgen. En in één opzicht slaagt Cools zonder meer – het aantonen dat iedere individuele kauw een persoonlijkheid is. Hij benadrukt de individuele eigenaardigheden en karakters, of het nu om Kooiman, Beuker of Madonna gaat.

Er is een klein bezwaar aan de aanpak van Cools. Op onderdelen leunt hij sterk op het werk van anderen, zonder die te noemen. Zo toont hij met een experiment aan dat kauwen tot zeven kunnen tellen. Zoiets kun je niet melden zonder de lezer te vertellen dat de tellende kauw al hoog en breed een klassieker is binnen de ethologie en dierpsychologie. Vermoedelijk vond hij bronverwijzing niet romantisch, te onpersoonlijk voor dit boek. Minstens de helft ervan heeft weliswaar de kauw als leidraad, maar gaat in feite over Cools' natuurbeleving en zelfobservatie. Hij houdt van de barokke aanpak. Een proeve van het woordenpalet van deze kunstenaar: `De zon hangt laaiend in de bomen. De planten zijn zwanger van de zomer in zwellende vruchten. Elk zwaait zijn zaden uit in eigen stijl.' Jammer is dat diezelfde kauwen een beetje buiten beeld raken. De afsluiting van het boek is een zoektocht naar vrijheid en waarheid, waarin kauwen slechts figureren en gekunstelde dialogen met mensen de kostbare ruimte innemen. De lezer wil dan nog steeds meer te weten komen over die vogels waarom het allemaal was begonnen. Goed, hij heeft er in ieder geval enige leren kennen, en terloops vertelde bijzonderheden over hun gedrag opgepikt. Inventieve groepsspelletjes, driehoeksverhoudingen, listig bedrog, en vooral: emotionele reacties. Zoals die van kauwen die hun vaste partner kwijtraken en aangrijpend wegkwijnen. Iets minder filosofie van Cools over mensdom en wereld en iets meer kauw was welkom geweest.

Achilles Cools: De Kauwentuin, Atlas, 318 blz. ƒ45,–

    • Frans van der Helm