Geloven en weten

Op een schilderij van de Amerikaan Mark Tansey ziet men een jong stel dat zijn auto heeft stilgezet bovenop een scheur in de weg. Ze bevinden zich in een soort canyon, en ook in het gesteente dat oprijst naast de auto zijn de sporen van natuurgeweld zichtbaar. De man is uitgestapt en is naast de scheur neergeknield om zijn hand er in te kunnen steken. Het is alsof hij iets heeft laten vallen en dat nu wil pakken. De titel van het schilderij – Doubting Thomas – maakt echter duidelijk dat er wat anders aan de hand is. Deze moderne `ongelovige Thomas' wil er zich van vergewissen dat de scheur echt is. Hij twijfelt aan een werkelijkheid waarin continenten verschuiven en aardbevingen optreden en wil de uitspraken daarover van wetenschappers niet zonder meer accepteren. Daarin lijkt hij op zijn voorganger, de apostel Thomas. Die komt op een aantal plaatsen in de Bijbel voor, maar ontleent zijn bijnaam aan Johannes 20:29. Daar wordt verhaald hoe hij pas gelooft dat Jezus tegenover hem staat, wanneer hij diens stigmata heeft gezien en ook de wond in zijn zij heeft bevoeld. Jezus wijst hem daarvoor terecht: `Zalig zijn zij die niet hebben gezien en toch geloven.' Thomas doet iets vreemds: hij handelt als een kritische wetenschapper – net als zijn nazaat in het schilderij van Tansey – maar doet dat op een moment dat er eigenlijk alleen plaats is voor geloof.

Daarmee vormt Thomas voor Stephen Jay Gould een mooi voorbeeld van hoe het niet moet. Wetenschap en geloof gaan niet samen, maar moeten zich `vanuit een positie van wederzijds respect elk met hun eigen zaken bezighouden.' Dat is het principe dat hij – eerst in een column in Natural History van begin 1997 – en nu veel uitgebreider in zijn boek Rocks of Ages uiteenzet. Hij duidt het aan als NOMA, Non Overlapping Magisteria, waarbij het uit de rooms-katholieke kerk afkomstige magisterium – afgeleid van magister (leermeester) – een gebied aangeeft waarop iemand bevoegd is te onderrichten. Waar de wetenschap zich bezig houdt met het waarnemen van de verschijnselen in de wereld om ons heen en probeert die te verklaren, heeft de kerk zeggenschap over morele en eschatologische kwesties: `science gets the ages of rocks, religion the rock of ages, science studies how the heavens go, religion how to go to heaven'. Dat het onmogelijk is om ze onder één noemer te brengen, hoeft volgens Gould niet te betekenen dat de twee met elkaar in conflict zouden moeten komen. Toch zijn er bibliotheken vol geschreven over de strijd van `helden' als Galilei tegen de gebundelde domheid van de Kerk die zich te weer stelt tegen het binnendringende licht van de rede. `Laat negentiende-eeuwse verzinsels', zo hoor je hem brommen, waarna hij aannemelijk maakt dat in beide gevallen juist NOMA als leidend principe werd gevolgd.

NOMA mag dan centraal staan, maar vanzelfsprekend heeft ook de evolutietheorie een prominente plaats in dit boek. Een boek van Gould zonder Darwin bestaat niet. In dit geval concentreert hij zich logischerwijs op de acceptatie van diens theorie door Kerk en Staat. Zo komt hij tot de verrassende conclusie dat zelfs de rooms-katholieke kerk ten aanzien van de evolutietheorie zich een aanhanger van NOMA betoont. Hij doet dat op grond van een gedegen lezing van de encycliek Humani Generis – van paus Pius XII uit 1950 – en de met veel publiciteit gepaard gaande verklaring van de huidige paus dat `de evolutietheorie meer is dan een hypothese.' Des te vreemder is het dus dat er in de afgelopen jaren – ook in Nederland – voortdurend discussie is over de rol van de evolutietheorie binnen het onderwijs. In de Verenigde Staten worden er zelfs keer op keer processen over gevoerd als gevolg van niet aflatende inspanningen van creationisten: van de beruchte Scopes trial van 1925, waarin een biologieleraar terecht stond omdat hij zijn leerlingen over evolutie had verteld, tot ver in de jaren tachtig, waarbij Gould zelf veelvuldig als getuige-deskundige betrokken was. Hoe zinloos, zo verzucht hij, als duidelijk is dat zo goed als alle wetenschappers en bijna alle religieuze leiders aan dezelfde kant staan, `met NOMA als hun gemeenschappelijke valuta.'

Als NOMA dan zo'n simpel, redelijk principe is, waarom wordt het dan nog altijd niet algemeen geaccepteerd? In het laatste gedeelte van zijn boek haalt Gould daar twee redenen voor aan. De ene is historisch, namelijk de onwil van gelovigen om zich terug te trekken uit een gebied waar ze het ooit voor het zeggen hadden, maar dat nu door de wetenschap wordt geclaimd. De andere is psychologisch, en heeft te maken met de kijk op het leven die de wetenschap ons biedt. Die lijkt alle gevoel te ontberen. Alles wordt immers teruggebracht tot feiten en waarnemingen en wordt ontdaan van iedere diepere betekenis. Het is de evolutietheorie die leert dat de natuur wreed is en volkomen onverschillig ten aanzien van elk lijden. Maar volgens Gould hoeft dat ons niet depressief te maken. Integendeel, het kan juist een gevoel van bevrijding verschaffen, omdat de mens alleen op die manier in staat is om volkomen op eigen voorwaarden over morele kwesties te praten en te denken.

Gould groeide op in een joods milieu in New York. Hij is trots op zijn joodse geschiedenis en erfgoed, maar is geen belijdend gelovige. Hij beschouwt zich als een agnosticus, in navolging van zijn `andere' held Thomas Huxley, die het woord zelfs bedacht. Gould heeft echter wel een enorm respect en een grote fascinatie voor religie. Daarnaast beschikt hij over een brede algemene ontwikkeling. Vanzelfsprekend kun je bij hem terecht voor feiten en anekdotes op het gebied van de evolutieleer, de zoölogie en de paleontologie. Maar hij kent ook zijn Plutarchus en zijn Bijbel en als hij iets te berde brengt over Galilei, dan kun je ervan op aan dat hij de laatste biografie van voor tot achter heeft doorgenomen. En al die kennis verpakt hij dan in een heel sierlijke stijl, het schrijven lijkt hem schijnbaar moeiteloos af te gaan. Een Amerikaanse recensent schreef dat hij zelfs Goulds verzamelde boodschappenlijstjes nog zou aanschaffen. Dat mag zo zijn, maar het heeft ook zijn gevaarlijke kanten. Wie Gould leest dient des te meer op zijn qui vive te zijn, en op te letten zich niet willoos te laten meevoeren, weg van de problematische kwesties waar Gould blijkbaar ook geen antwoord op heeft. Want volgens NOMA mogen de invloedssferen dan verdeeld zijn, ik maak me toch sterk dat er bijvoorbeeld op medisch-ethisch gebied – het sleutelen aan de erfelijkheid – overlappingen aan het ontstaan zijn. Gould laat zich daar met geen woord over uit, en dat maakt NOMA toch te veel een oplossing voor een ideale wereld, die te weinig houvast biedt voor een in sommige opzichten onzekere toekomst.

Stephen Jay Gould: Rocks of Ages. Science and Religion in the Fullness of Life. Library of Contemporary Thought, Ballantine Publishing Group, 241 blz. ƒ48,30

    • Rob van den Berg