Dichters onder de 39

Is er een nieuwe beweging of trend in de Nederlandse poëzie? Die vraag dringt zich op bij de verschijning van Sprong naar de sterren, waarin Ruben van Gogh 25 dichters heeft opgenomen die het afgelopen decennium voor het eerst een bundel publiceerden. Twintig mannen en vijf vrouwen van onder de 39 - voorzover ik elders na kan gaan, want de geboortedata worden niet vermeld.

Dat er de laatste jaren andere poëzie is bijgekomen staat buiten kijf. Er dragen meer dichters op een podium voor, en sommigen van hen doen dat in combinatie met muziek - vaak een aangepaste variant van rap - met visuele ondersteuning of andere performance-technieken. Eerdere bloemlezingen hiervan stelden nog teleur omdat de tekst van deze optredens niet kon wat in een performance beter lukte. Een brede keuze van nieuwe dichters maakt hoe dan ook nieuwsgierig.

Ik neem het Van Gogh niet kwalijk dat hij in zijn inleiding doet alsof er van een een nieuwe generatie sprake is. Dat is tenslotte wat iedereen wil horen. Hij betoogt dat deze gedichten meer `beweging' vertonen dan gangbaar is - een echo van het protest tegen de poëzie van de stilstand waar maximalen en anderen zich twaalf jaar geleden reeds tegen verzetten (Als het woord `generatie' valt hagelt het steevast clichés.) Verder zouden ze visueler zijn, meer doordrongen van de televisiecultuur, van de popcultuur ook, van rap, hiphop en science fiction.

Volgens de inleiding bestaat de bundel uit `gebeurende poëzie', dat wil zeggen `gedichten die haast allemaal daadwerkelijk plaatsvinden, ergens ver weg van het papier. Deze gebeurende poëzie uit zich in gedichten met een sterk filmisch karakter, alsof het papier beeldscherm is geworde.'Het kan niet de bedoeling zijn geweest dat we over de laatste zin nadenken. Met de eerste zin wordt waarschijnlijk bedoeld, dat de gedichten niet over zichzelf gaan, maar over iets anders, dus dat er geen autonome, naar zichzelf verwijzende verzen in aan te treffen zijn, het soort poëzie dat bij de maximalen ook veroordeeld werd.

Dat klopt, maar verder biedt Sprong naar de sterren een andere ervaring dan de inleiding belooft. Neem die toegenomen `beweging'. Het door Van Gogh als illustratie aangehaalde gedicht van Jo Govaerts begint weliswaar met de regel `reizen door de woestijn was voortdurend verlangen naar water', maar dat reizen gaat al snel over in `kijken', waarna woestijn, water en reizigers in elkaar vervloeien, wat een tamelijk meditatief - dus op stilstand uitlopend - effect heeft, al noemt Van Gogh dit `vloeiende bijna vanzelfsprekende perspectiefwisselingen'. In een gedicht van Ilse Starkenburg wordt in een tram gereisd, alleen wel de hele dag in dezelfde tram op en neer, terwijl Menno Wigmans `Nachtrust' ook geen toppunt van beweging is.

Dat de massacultuur in deze bundel ruimer vertegenwoordigd is dan elders in de Nederlandse poëzie is juist. We stuiten op televisie, Pamela Anderson, een citaat uit een popsong. Alleen dat is het wel zo'n beetje. `De levendige invloed van rap en de daarbij behorende beeldtaal' waar de inleiding mee schermt, valt niet te ontwaren. Van Gogh zou dat eens aan jong en oud uit moeten leggen, vooral die beeldtaal van de rap, en de invloed ervan, in plaats van de plompverloren vaststelling dat het establishment dat niet `herkent'.

Sprong naar de sterren bevat op de keper genomen nogal conventionele poëzie, als je dat tenminste kunt zeggen in deze dagen van pluriformiteit. Er staat een handvol goede gedichten in en in zoverre stelt de bloemlezing niet teleur. Deze gedichten zijn echter uitgerekend van dichters die door de kritiek van de afgelopen jaren reeds waren gesignaleerd: Erik Menkveld, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer en Mustafa Stitou. Zo niet Olaf Zwetsloot, met een geestig gedicht over een masturberende kosmonaut:

Zijn zaad zweeft door de cabine.

Hij staart ernaar, leeg, lusteloos,

Nu het langs de monitoren drijft.

Mooi beeld vol gewichtloosheid, al denk ik niet een-twee-drie aan de visuele cultuur van de videoclipgeneratie of aan de beeldtaal van de rap. De kosmonaut ziet in de laatste strofe de aarde door het venster als `te vondeling gelegd in de ruimte,/ en weet bij God niet waar hij is beland.' Goed slot: hij heeft geen idee, of letterlijker: is bij God en weet het niet, dan wel weet niet waar de aarde is beland. Zo wordt in enkele woorden de verwarrende kosmologische ervaring van dat verre zwerven geraakt en zien we toch wat van de beweging die ons in de inleiding van deze bundel werd beloofd.

Sprong naar de sterren. De laatste generatie dichters van de twintigste eeuw. Samengesteld en ingeleid door Ruben van Gogh.

Kwadraat, 96 blz. ƒ29,90

    • Maarten Doorman