De macht van het woord

Valt het katholicisme te typeren als een beeldcultuur, het protestantisme heeft het altijd van het gesproken en geschreven woord moeten hebben. Wie het woord heeft, heeft de macht. Dat gold zeker in het Nederlandse protestantisme. De journalist Pieter Brouwer schreef bij de dood van de antirevolutionaire voorman Abraham Kuyper in 1920 dat de pen diens machtigste wapen was. `Daarmee bereikte hij de tienduizenden. Er was een tijd, dat het Zondagsgesprek na de preek (...) vaak beheerst werd door ``wat Kuyper die week schreef in de Heraut'. Met zijn pen heeft hij ons calvinistisch leger georganiseerd; het kader gevormd; het gestaald tot den strijd.'

Ook de Duitsers beseften tijdens de bezetting dat de pen een gevaarlijk wapen was in handen van de protestanten. Ze legden de gereformeerde Kampense hoogleraar dr. K. Schilder al vroeg een schrijfverbod op. Hij moest zich van `jede schriftstellerische oder journalistische Tätigkeit' onthouden op straffe van arrestatie.

In het zevende Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800 is een achttal bijdragen verzameld die een breed zicht bieden op de manier waarop de protestantse pers de laatste anderhalve eeuw functioneerde. De artikelen geven bepaald niet altijd een positief beeld van de manier waarop vooral gereformeerden in hun pers met elkaar omgingen. Het wapen van de pen werd niet alleen naar buiten gericht, maar ook tegen vermeende ketterijen in eigen kring. En men ontkomt niet aan de indruk dat het in die strijd, onder de schijn van principiële verschillen van mening, gewoon om macht ging. Vooral tijdens de Vrijmaking, de scheuring die zich in 1944 voordeed in de Gereformeerde Kerken en leidde tot het ontstaan van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), ging het hard tegen hard. Ook binnen die nieuwe kerkengroep deden gelijkgestemde bladen elkaar stevige concurrentie aan. Periodieken die bedoeld waren tot ontwikkeling van het gereformeerde leven leken uit op elkaars ondergang.

Ronduit aandoenlijk is het portret van bovengenoemde Pieter Brouwer, dat is geschreven door diens achterkleinzoon A.J. Lever. Brouwer was aanvankelijk onderwijzer en behoorde daarmee tot de beroepsgroep waaruit de gereformeerden hun kader recruteerden. Naast zijn baan als onderwijzer in Leerbroek werd hij in 1892 journalistiek actief voor bladen die gelieerd waren aan de Antirevolutionaire Partij. In 1904 vertrok hij naar Zwolle waar hij fulltime voor Onze Courant ging werken, van waar hij in 1911 als weduwnaar met vijf kinderen naar Sneek vertrok om hoofdredacteur van het Friesch Dagblad te worden.

Dankzij zijn inspanningen groeide die krant uit tot een bloeiend en levensvatbaar product. Brouwer beschikte kennelijk over een Kuyperiaanse energie en schreef talloze beschouwingen over de nationale en internationale politiek, vervolgverhalen voor de jeugd, feuilletons voor volwassenen, artikelen over christelijke kunst en sociale problemen, zoals `het vraagstuk' van de gehuwde onderwijzeressen. Hij vond het maar zorgelijk dat er op kweekscholen vier maal zoveel vrouwelijke als mannelijke leerlingen waren. De getrouwde vrouw zou prima in het onderwijs kunnen functioneren, maar haar plaats was thuis, concludeerde hij.

Een fraai vervolg in de tijd hierop is de schets van de eerste vijftien jaargangen (1906-1921) van het geïllustreerde weekblad De Spiegel, dat bedoeld was als christelijk alternatief voor populaire neutrale bladen als De Wereldkroniek en De Prins. Met fotoreportages, tekeningen en uitdrukkelijke aandacht voor het persoonlijke element – niet alleen de jubilerende dominee, maar ook de trouwe dienstbode – richtte het blad zich op het brede protestantse publiek. Het nieuws werd nadrukkelijk in een christelijke denkkader geplaatst. `Door Gods adem vernield' luidde de kop boven het bericht over de ramp met de Titanic in 1912. Het schip werd gezien als symbool van menselijke hoogmoed, een toren van Babel.

Het jaarboek besteedt verder onder meer aandacht aan het blad Tijd en Taak, waarin dr. W. Banning – van huis uit ook onderwijzer – zijn idealen ventileerde, en aan de op- en ondergang van het vooral onder zogeheten progressief-christelijke intellectuelen gelezen tijdschrift Wending, dat uiteindelijk in de ban raakte van het neomarxisme en zo zijn ondergang tegemoet ging. De bundel besluit met een beschrijving van de manier waarop het Historisch Documentatiecentrum voor het Protestantisme van de Vrije Universiteit bezig is alle beschikbare protestantse periodieken te ontsluiten.

G. Harinck en D. Th. Kuiper: Anderhalve eeuw protestantse periodieke pers. Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800.

Meinema, 240 blz. ƒ39,90

    • Herman Amelink