De grijze macht over 850 miljard

In de discussie tussen pensioenfondsen, verzekeraars en gepensioneerden staat harmonie centraal.

,,Ik kom altijd gemakkelijk weg'', zei algemeen directeur E. Fischer van het Verbond van Verzekeraars. Hij legde de nadruk op áltijd.

De voorman van de commerciële verzekeraars zat gisteren op een podium voor een zaal vol concurrenten: bestuurders en managers van pensioenfondsen. Zij vierden het tienjarig bestaan van de koepelorganisatie van ondernemingspensioenfondsen die werken voor en gelieerd zijn aan individuele bedrijven, zoals Philips en Shell.

De pensioenfondsen hebben tweederde van de markt voor oudedagsvoorzieningen van bijna 1.300.000.000.000 gulden in handen, de verzekeraars de rest. De pensioenfondsen staan zo sterk dankzij wettelijke regelingen die veel werkgevers verplichten om zich aan te sluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds, zoals metaalnijverheid en zorg/welzijn.

De lobby van de verzekeraars wrikt deze regels langzaam los, maar Fischer mijdt openlijke strijdbaarheid. Hij is tegenstrever, maar tevens medestander van de pensioenfondsen, bijvoorbeeld in hun kritiek op de nieuwe belastingplannen van het kabinet. Harmonie staat in sociaal-politieke discussies centraal, en al helemaal in de pensioenwereld, waar werkgevers en werknemers de scepter zwaaien.

Fischer prees de woorden die de pensioenfondsen gebruiken om hun zaak te bepleiten (zoals solidariteit). Intussen zijn de strijdkreten van de verzekeraars (vrijheid, maatwerk) de essentialia van de tijdgeest. Na veertig minuten concludeerde discussieleider W. van Scherrenburg (Den Haag Vandaag): u bent het eigenlijk allemaal wel eens. Waarna in de volgende twintig minuten ook de latente animo vervloog om nog tegenstellingen te ventileren.

Weerwerk kreeg Fischer in de vorm van steken onder water van H. Beuker, werkgeversvoorzitter van de koepelorganisatie van de pensioenfondsen die voor bedrijfstakken werken. Beuker kaatste de bal over de zeggenschap van gepensioneerden bij pensioenfondsen bijvoorbeeld handig in de richting van Fischer, die duidelijk maakte dat dit bij de pensioenregelingen die verzekeraars uitvoeren niet echt speelt. De werkgever sluit een contract af, de verzekeraar betaalt, en dat is 't.

Fischer kwam goed weg, want voorzitter D. den Hoedt van de ouderenorganisatie CSO ging niet met hem maar wel met Beuker in de clinch over de gebrekkige zeggenschap van gepensioneerden. Beuker verdedigde de status quo met verve. Eerst het anderhalf jaar geleden gesloten convenant over wat meer invloed voor gepensioneerden maar eens afwachten en uitvoeren. De besturen van de pensioenfondsen zijn nu vrijwel exclusief in handen van vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers, die als CAO-partijen loon en pensioen regelen.

Den Hoedt maakte duidelijk dat ook gepensioneerden in besturen van pensioenfondsen geen (eigen) deelbelangen zullen dienen, maar het belang van het fonds als geheel. De huidige bestuurders voeren deelbelangen steevast aan als argument tegen meer invloed van gepensioneerden, alsof het werkgevers- of werknemersbelang ook geen deelbelang is. Over de (in)directe voordelen van 6,5 miljard gulden die ondernemingspensioenfondsen vorig jaar aan hun werkgevers gaven, geen woord.

Ook niet van staatssecretaris H. Hoogervorst (Sociale Zaken) die in zijn speech hamerde op kostenbeteugeling (onderdeel van een ander pensioenconvenant om pensioenregelingen aan te passen aan tweeverdieners en deeltijdwerkers) en op versobering van pensioenen om de aansluiting met de AOW te vergemakkelijken.

De dissonant in de harmonie was, opmerkelijk genoeg, gastheer C. van Rees, voorzitter van de ondernemingspensioenfondsen. Vragenderwijs legde hij de bijl aan de wortel van het bestuur in de pensioenwereld: stichtingen, waarin het bestuur van werknemers en werkgevers formeel verantwoordelijk is, maar de directie de feitelijke uitvoeder en beslisser.

Van Rees wil wel een onderzoek, ook naar de vraag wie nu de eigenaar is van die 850 miljard gulden die in de pensioenfondsen is gespaard. De werkgever? De werknemer? Het fonds zelf?

Dat hij de vragen zo pregnant stelt onderstreept de frictie tussen formaliteit en feiten. Als uitvoerder is Van Rees formeel in dienst van een bestuur, maar als uitvoeder ziet hij ook hoe groot de kloof is geworden tussen de parttime bestuurders en fulltime professionals die de 850 miljard pensioengeld beleggen.

Formeel is er geen grijs gebied, maar in de praktijk wel. Onbedoeld steunt Van Rees de constatering van GroenLinks-Kamerlid K. Vendrik: het is de lege plek van de macht.

    • Menno Tamminga