Carmiggelt

Ik las Carmiggelt, het levensverhaal, de biografie van Henk van Gelder, en vroeg me af hoe leesbaar Carmiggelt nu nog is. Is het een schrijver die het verdient opgeslagen te worden of zullen zijn werkjes op den duur net zo bruin worden als de kroegen die hij heeft beschreven? Van alle PC Hooftprijswinnaars is Carmiggelt vermoedelijk de minst gerecenseerde. Aangemoedigd door Carmiggelt zelf zagen de critici in hem toch meer een journalist dan een schrijver. Toen Carmiggelt in 1977 zijn prijs kreeg, schreef Aad Nuis: ,,De hoogste literaire onderscheiding van Nederland ging deze keer niet naar een belangrijk dichter of romanschrijver, maar naar een man die al meer dan veertig jaar, met een onderbreking door de oorlog, elke dag een leuk stukje voor de krant schreef''.

IJzeren plichtsbetrachting en leuk zijn, dat waren zijn belangrijkste verdiensten. Zijn van drank en melancholie vervuld leven is meer dan eens beschreven, maar echte dieptestudies van zijn werk zijn er bij mijn weten nooit gemaakt. Het nodigt er eenvoudig niet toe uit. Wel heeft W.F. Hermans als Age Bijkaart eens de aandacht gevestigd op een merkwaardig fenomeen in Carmiggelts oeuvre. Volgens Hermans wordt alles wat bij Carmiggelt met voedsel en eten te maken heeft op de meest naargeestige wijze beschreven.

Dat is inderdaad een treffende observatie. Op het dineetje, aangericht ter ere van het feit dat de Carmiggelts vijftien jaar getrouwd zijn, eet men ,,een kip die zo lang van het leven genoten had, dat er voor ons weinig te genieten overbleef''. Bij een andere gelegenheid stapt Carmiggelt een restaurant binnen waar de keuken ,,een stank verspreidt van een nooit gelucht ziekbed''. De koffie wordt er ,,in mineur'' geserveerd, terwijl de obers ,,moedeloos spreken'' en ,,op moede voeten'' plegen voort te sloffen.

Omdat ik van mijn vader nogal wat boekjes van Carmiggelt heb geërfd, was ik in staat de observatie van Hermans met een eigen onderzoekje te staven. Zo wordt in Brood voor de vogeltjes in een uitspanning om taart gevraagd bij een oude kelner, die daarop terugdeinst ,,alsof er een portie radium werd besteld''. In dezelfde bundel komt Carmiggelt op een van zijn wandelingen bij een haringkar terecht, waar hij zwijgend toekijkt hoe de haringman ,,met briljante mesvoering, telkens weer, een visje van een overleden individu in eetbare consumptie verandert''. In het verhaaltje De rat uit de bundel Later is te laat krijgt een dame een dessert voorgezet dat bestaat uit ,,een smakeloos puddinkje, versierd met zo'n harde rode kers uit blik''.

Een bezoek aan het ziekenhuis mondt onmiddellijk uit in een klacht over eten, waarbij de zieke vertelt dat de peentjes zo hard waren dat men de kok had laten weten: ,,De wortels staan overeind en de mannen ook''. Nee, niets wordt bij Carmiggelt zo vreugdeloos beschreven als de verzorging van de inwendige mens – weer zo'n uitdrukking die nu versleten lijkt, maar die wij aan Carmiggelt te danken hebben. Wat ook in Carmiggelts werk eens onderzocht zou moeten worden, is het weer. Naar mijn gevoel miezert en motregent het altijd bij Carmiggelt, en lijkt het wel of elk jaar begint en eindigt met de herfst, maar misschien klopt dat beeld niet.

Veel ingewikkelder is natuurlijk een onderzoek naar Carmiggelts gevoel voor humor. Was hij inderdaad zo geestig en wat is daar nu van overgebleven? Zo herinner ik mij een met lachbuien gepaard gaande consternatie in ons huisgezin, toen Carmiggelt als eerste in Nederland het woord vagina in de krant durfde te zetten. Het stond in een Kronkel waarin de verteller vertelt dat hij de vlekken uit de rorschachtest altijd associeert met het vrouwelijk geslachtsorgaan. Maar of dat stukje nog leuk is als je het nu terug zou lezen, weet ik niet.

Bladerend in al die boekjes probeerde ik iets te vinden waar ik spontaan om moest lachen. Op pagina 81 van Later is te laat vond ik dit: ,,Een vriend van mij, die arts is, bezit een jongetje dat de gewoonte heeft, zo nu en dan de wachtkamer binnen te gaan en de daar, in een bedompt zwijgen bijeen zittende stakkers, toe te voegen: `Jullie zijn vieze mensen. Jullie hebben allemaal vieze ziektes, zegt mijn vader'.''

In een onderzoek naar bedompt zwijgende mensen bij Carmiggelt zie ik ook wel wat.

    • Max Pam