Bezield door Indië

In het Amsterdamse bovenhuis van de schrijver Rob Nieuwenhuys was het voormalige Nederlands-Indië in alle stilte op voorname wijze aanwezig. Op een rank mahoniehouten tafeltje stond een verfijnd theeservies, wajangpoppen aan de muur, fotoboeken van toen. Het huidige Indonesië lag ver weg, en zo wilde Nieuwenhuys het ook. Gisteren is hij in alle stilte begraven; afgelopen zondag overleed hij in een verzorgingstehuis. Vorig jaar zei hij in een vraaggesprek met deze krant: ,,Ik ben geen ontheemde. Ik heb niet de geringste behoefte om nu in Indonesië te wonen.''

Zonder de inzet van Rob Nieuwenhuys zou de Nederlands-Indische bellettrie niet de betekenis hebben die ze nu kent. Nieuwenhuys bracht op even wetenschappelijke als enthousiasmerende wijze een heel tijdperk in beeld. `Tempo doeloe' heten die jaren in Indië tussen 1870 en 1920. Toch was Nieuwenhuys gekant tegen dat begrip als uitdrukking van nostalgie. In zijn huiskamer zei hij, een sarong om de knieën geslagen: ,,Ik haat de term tempo doeloe. Nostalgie, heimwee: het zijn verschrikkelijke woorden. En iedereen begrijpt ze verkeerd. Ik heb geen heimwee naar het vroegere Indië. Dat is voorbij, het is dood, het is verzonken. Dat maakt me niet opstandig, ik aanvaard het.''

Nieuwenhuys werd in 1908 in Semarang geboren uit het huwelijk tussen een Hollandse vader en een Nederlands-Indische moeder. Zijn Indische opvoeding heeft hij aan haar en aan zijn veelbeschreven baboe Nènèk Tidjah te danken. Vlak nadat hij eindexamen HBS deed, verhuisde het gezin naar Den Haag. Nieuwenhuys studeerde letteren en rechten aan de Universiteit van Leiden. In 1935 keerde hij terug naar Java, waar hij Du Perron leerde kennen die hem inspireerde tot wetenschappelijk werk. Tussen 1942 en het eind van de oorlog bracht hij in Japanse kampen door. Nadat Nieuwenhuys in '45 gerepatrieerd was vervulde hij de gedane belofte aan Du Perron: hij wijdde zich aan de studie van de Nederlands-Indische letteren waarvan zijn voorbeeldige werk Oost-Indische spiegel (1972) de bekroning is. Als literator debuteerde hij in 1954 met de roman Vergeelde portretten. Uit een Indisch familiealbum.

Al is nostalgie het verkeerde woord om Nieuwenhuys' oeuvre te kenschetsen, hij was wel degelijk doortrokken van het besef van het verstrijken van de tijd. Indië was voor hem `voorbij en niet voorbij'. In drie fotoboeken, Baren en oudgasten, Komen en blijven en Met vreemde ogen (herdrukt in 1998), heeft hij de verzonken Indische wereld op onvergetelijke wijze opnieuw geëvoceerd. Honderden foto's staan erin afgedrukt, voorzien van speelse en elegant geschreven teksten. In het laatste hoofdstuk van Komen en blijven schrijft Nieuwenhuys over vergeten Indische begraafplaatsen: ,,De stilte, dat is de vergetelheid, het niet meer bestaan, ook niet in de herinnering.'' Het is een groot verlies Rob Nieuwenhuys als een herinnering te moeten beschouwen. Wie hem gekend hebben als leraar, schrijver of wetenschapper zullen hem niet licht vergeten. Soms belde hij zomaar op, hij zei dan: ,,Ja... met Rob.''

    • Kester Freriks