Spijkers zonder koppen

Het is een beetje overdreven om te zeggen dat stopwoorden het cement van onze taal zijn, maar ze fungeren toch op z'n minst als lijm. Wel als een raar soort lijm. Stopwoorden kunnen dienstdoen om zinnen aan elkaar te plakken, om een zin te beginnen of te eindigen of om tussendoor even de gedachten te ordenen terwijl je gewoon aan het woord blijft. Je zegt wel iets maar het betekent niks. `Wat ik wou zeggen', `begrijp je', `weet je', `tussen twee haakjes' – het zijn onnodige toevoegingen, niemand zal ze missen, maar toch worden ze massaal gebruikt. Dat wil zeggen: in de spreektaal. Er wordt ook heel wat afgelijmd in de schrijftaal, maar stopwoorden duiken het vaakst op in een gesprek, samen met talloze uh's, um's en onafgemaakte zinnen.

Curieus van stopwoorden is dat je ze – als je een beetje taalgevoel hebt – vrij makkelijk bij anderen hoort, maar nauwelijks bij jezelf. Ondergetekende eindigt nu al weer maanden dagelijks vele zinnen met `zal ik maar zeggen'. Dat zal ter relativering zijn bedoeld, maar het slaat natuurlijk nergens op. En zelfs als je eenmaal doorhebt dat je ze gebruikt – al dan niet met hulp van anderen – is het ontzettend moeilijk om stopwoorden af te leren. Ze blijven maar uit je mond rollen, tot ze je echt gaan irriteren. Pas dan lukt het om ook de lijmresten te verwijderen. Zal ik maar zeggen.

Stopwoorden behoren tot de stiefkinderen van de Nederlandse taalkunde. Hoewel het een zeer dominant taalverschijnsel is, is er nauwelijks iets over gepubliceerd. Willem Bilderdijk schreef in 1824 een essay over stopwoorden in gedichten dat begint met de zin: ,,Men heeft geen haatlijker woord in heel den omvang van het Dichterlijke vak, dan dat van stopwoord.'' De letterkundige Eliza Laurillard boog zich in 1889 over het verschijnsel en de classicus J. van Wageningen maakte in 1919 aannemelijk dat ook de oude Romeinen al stopwoordjes gebruikten. Hij vond er zelfs sporen van bij de bekende redenaar Cicero, die te pas en te onpas 'quid' schrijft.

Er zijn in deze eeuw wel kleine erupties geweest in het gebruik van `overgangspartikels', zoals taalkundigen ze soms noemen. Zo kon Jong & Progressief in de jaren zestig bijna geen zin eindigen zonder de stoplap `weet je wel', dit ongetwijfeld onder invloed van de Amerikaanse hippietaal. Maar er blijken ook duidelijke constanten te zijn, stoplappen die mogelijk al eeuwen in het Nederlands rondspoken. Laurillard ergerde zich honderdtien jaar geleden al aan stoplappen als `zie je?', `om zo te zeggen', `om kort te gaan', `affijn' en `zal ik maar zeggen'! Wat hij ook veel hoorde was `het rare stopwoord dings', wat inmiddels is uitgerekt tot `dinges'.

Gelukkig noemt Laurillard ook een paar stoplappen die inmiddels dood, begraven en geruimd zijn, zoals `wat ik wil zeggen en jokken niet' en `veul is niet genoeg'. Maar alles bij elkaar lijkt er wat stopwoorden betreft de afgelopen eeuw niet bar veel te zijn veranderd. Ook niet op het punt van de ergernis die ze bij velen opwekken, ergernis die Laurillard aanzette tot de dichtregels: ,,Als ge uwe spreektaal op wilt stoppen,/ Laat door geen domme sleur u foppen:/ Stop in uw taal geen leêge doppen,/ Geen taaie en onverteerbare moppen,/ Geen oude spijkers zonder koppen.''

    • Ewoud Sanders