Outsiders als archetypische kunstenaars

In Museum De Stadshof in Zwolle, dat dit jaar vijf jaar bestaat, is uitsluitend kunst te zien van geestelijk gehandicapten, (ex-)psychiatrische patiënten en andere schilders en beeldhouwers die buiten het reguliere kunstcircuit werken. Het werk van deze `outsiders' wordt tegenwoordig, na verwarring in het verleden over de geschiktheid van de term `naïeve kunst', als `rauwe kunst' aangeduid.

Als gewoon museum stelt De Stadshof teleur. Het neo-classisistische pand hangt van top tot teen vol met bontgekleurde tekeningen, schilderijen en grafieken, maar de kwaliteit van de afzonderlijke kunstwerken laat vaak te wensen over. Voor de werken van Meesters uit de marge, de huidige tentoonstelling met hoogtepunten uit de internationale collectie die op verwarrende wijze door de vaste opstelling heen hangen, geldt hetzelfde: de meeste zijn opbeurend en amusant als een goede kindertekening, maar ook net zo gauw weer vergeten.

Er zijn een paar uitzonderingen. Een van de kabinetten op de eerste etage is een hommage aan het Utrechtse huis van Bertus Jonkers (1920), dat hij tot aan zijn gedwongen verhuizing naar een bejaardenwoning in 1994 bezig was te transformeren tot `Ideale Stad'. Jonkers maakte mini-gebouwtjes, etsen en mozaïeken, toverde elk huishoudelijk object om in een kunstwerkje en schreef in een keurig handschrift talloze aantekenboekjes vol met cryptische teksten als `Wat je toch te staren zit in die doffe dromer waar geen greintje wens in is...'. Ondanks de wirwar aan technieken is Jonkers' beeldtaal glashelder: zijn zaal is een rustgevende tempel van grijs, groen en beige geworden, waarin elk detail lijkt te kloppen. Hier biedt De Stadshof een fascinerende kijk in een eigenzinnige geest, en doen artistieke oordelen er minder toe.

Dat is ook precies wat het museum beoogt: het ruimt bij de presentatie van zijn kunstenaars op de tentoonstelling en in de catalogus evenveel plaats in voor hun werken als voor een beschrijving van hun levensloop en geestestoestand. Een van de meest vooraanstaande outsiders is Willem van Genk (1927), die uitdrukking geeft aan de onbestemde angsten die hem al zijn hele leven achtervolgen met prachtige, minutieus volgekrabbelde tekeningen van stations en vliegvelden, waarvan het vreemde, lage perspectief pas bij een tweede blik opvalt. Kunstenaressen Riet van Halder (1930) en de Amerikaanse Vivian Ellis (1929) zijn net zo monomaan in hun aanpak, maar bij hen levert dat een herhaling op van steeds dezelfde, beweeglijke mensfiguurtjes, alsof ze vastzitten aan een persoonlijk logo.

De kunstliefhebber pur sang wordt in De Stadshof vooral aan het denken gezet over zijn eigen definities van een kunstwerk en vooral ook van een kunstenaar. Want ziet het publiek ook `gewone' kunstenaars niet altijd het liefst als buitenstaanders, die zich ver houden van het wereldse kunstbedrijf? En zijn er eigenlijk wel kunstenaars die bewust `insider' worden van het kunstcircuit, dat mensen en stijlen opslokt en weer uitspuugt al naargelang de mode van het moment? Hoort de geïsoleerde extase waarin de outsiders volgens De Stadshof hun kunst produceren, niet bij elke kunstenaar die zijn roeping serieus neemt? Wie geen zin heeft in dergelijke overpeinzingen, kan nog het beste een paar kinderen naar De Stadshof meenemen. Die zullen onbekommerd genieten van de felle kleuren, de herkenbare figuren en de ontelbare geknutselde huisjes en poppen die overal opgesteld staan.

Tentoonstelling `Meesters uit de marge', t/m februari 2000 in Museum De Stadshof, Blijmarkt 18-20, Zwolle.

Toegang ƒ 7,50. Open di-vr 10-17u, za en zo 13-17u. Werk van Willem van Genk t/m 11/12 ook in de Artotheek, Den Haag, inl. (070) 3465337.

    • Sandra Heerma van Voss