Nieuw leven in een oude discussie

Moeten boycots een einde maken aan kinderarbeid, of werken ze juist averechts? Een complexe discussie over codes en gedrag.

TOEN DE AMERIKAANSE senator Tom Harkin in 1992 zijn beruchte Child Labor Deterrence Act indiende, werkten er ruim 65.000 kinderen jonger dan veertien jaar in Bengaalse kledingfabrieken. Een jaar later waren het er nog `maar' 15.000.

Wat was er in de tussentijd gebeurd? Uit angst voor een Amerikaanse boycot van Bengaalse kleding waren 50.000 kindarbeiders door fabrikanten op straat gezet. Later bleek uit onderzoek van UNICEF dat het merendeel van de ontslagen meisjes in de prostitutie was beland. De meeste jongens hadden de relatief arbeidsvriendelijke textielindustrie verruild voor gevaarlijk fabriekswerk. Ze werkten bijvoorbeeld als lasser – zonder oogbeschermers – of haalden als leerling-smid hete ijzeren voorwerpen uit het vuur.

De discussie over het terugdringen van kinderarbeid is complex. Het simpelweg boycotten van producten die zijn gemaakt door kinderhanden, heeft niet altijd het gewenste effect. Sterker nog, het kan zelfs averechts werken. Sinds de Amerikaanse Child Labor Deterrence Act lijken de fervente voorstanders van afschaffing van kinderarbeid terrein te verliezen. In plaats daarvan ontstaat een nieuwe stroming: de reguleerders, die werkende kinderen bescherming willen bieden. Organisaties als UNICEF, NOVIB en Defence for Children zijn anno 1999 van mening dat kinderarbeid mogelijk moet zijn, mits verricht onder veilige arbeidsomstandigheden, tegen een redelijk inkomen en in combinatie met scholing. Als tijdelijke oplossing wel te verstaan, want voorop staat dat kinderarbeid uiteindelijk moet worden uitgebannen.

Ook de VN-Arbeidsorganisatie ILO heeft haar uit 1973 stammende standpunt dat kinderarbeid `te allen tijde verboden moet worden' recentelijk herzien. In juli van dit jaar nam de organisatie een nieuwe conventie aan die `de ergste vormen van kinderarbeid' verbiedt. Onder `erg' verstaat de ILO onder meer prostitutie, slavernij, gedwongen arbeid (vooral als schuldaflossing van ouders) en fysiek gevaarlijk werk. De organisatie schat dat wereldwijd zo'n 250 miljoen kinderen – merendeels jongens – tussen de vijf en veertien jaar werken. Het merendeel van de kinderarbeid (61 procent) wordt in Azië verricht, 32 procent in Afrika en 7 procent in Latijns Amerika.

Ook in Europese landen en de Verenigde Staten komt kinderarbeid regelmatig voor. Armoede, bevolkingsgroei en een slecht onderwijssysteem zijn volgens de ILO de voornaamste oorzaken van kinderarbeid. Maar ook veranderingen in het productieproces – uitbesteding van arbeid aan lagelonenlanden, waar bedrijfjes op leven en dood met elkaar concurreren – dragen bij aan het probleem.

Boycots lijken niet de sleutel tot het probleem, maar wat dan wel? Scholing, menen organisaties als UNICEF, NOVIB en Defence for Children en ook de vakcentrale FNV. Als reactie op de gevolgen van de Child Labor Deterrence Act sloten UNICEF en ILO in 1995 een opmerkelijke overeenkomst met de BGMEA, een organisatie van Bengaalse exporterende kledingfabrikanten. De fabrikanten beloofden geen kinderen beneden de veertien jaar meer in dienst te nemen. Kinderen die nog werkzaam waren in de kledingindustrie werden ontslagen zodra er een plek in een van de honderden nieuw op te richten scholen vrijkwam. Om het verlies aan inkomsten te compenseren, kregen de voormalige arbeidertjes iedere maand 350 taka (ongeveer 15 gulden) als bijdrage aan het gezinsinkomen. De winst was tweeledig: naar schatting tienduizend kinderen kregen een beter toekomstperspectief en hun ouders hadden door het ontstane tekort op de arbeidsmarkt een sterkere onderhandelingspositie. Ofwel: uitzicht op loonsverhoging.

Het debat over kinderarbeid beperkt zich niet alleen tot ontwikkelingsorganisaties. Ook steeds meer bedrijven staan – al dan niet vrijwillig – stil bij de vraag waar hun verantwoordelijkheden liggen. Na publieksacties van de Socialistische Partij tegen kinderarbeid in Indiase fabrieken, besloot de meubelgigant Ikea een gedragscode in te stellen. Het Nederlandse Carpetland sloot zich aan bij het kinderarbeidsvrije Rugmark (tapijtkeurmerk), een gezamenlijk initiatief van tapijtfabrikanten die zich vrijwillig onderwerpen aan onaangekondigde inspecties in buitenlandse fabrieken. En het miljardenbedrijf C&A zette in 1996 een eigen controleapparaat op (Socam), dat jaarlijks duizend inspecties bij eigen productie-eenheden uitvoert.

De Katholieke Universiteit Brabant ging na in hoeverre Brabantse importeurs in de textielsector bekend zijn met kinderarbeid. Volgens de onderzoekers viel het resultaat tegen; driekwart van de onderzochte bedrijven was zich weliswaar bewust van het feit dat kinderarbeid een rol speelt in de textielsector. Maar slechts de helft ondernam er daadwerkelijk actie tegen.

De actiebereidheid van bedrijven tegen kinderarbeid laat te wensen over. Maar hoe zit het eigenlijk met de impact van gedragscodes en onafhankelijke controleurs? ,,Die is gering'', meent Annet Zeelenberg van UNICEF. ,,Geschat wordt dat minder dan 5 procent van de door kinderhanden vervaardigde producten zijn bestemd voor de export. Van Indiase sigaretten of gerecyclede Braziliaanse batterijen horen we in het Westen nooit wat.'' In The State of the Worlds Children 1997 lanceert UNICEF een veelomvattend actieplan dat niet alleen Westerse bedrijven, maar ook exporterende landen op hun verantwoordelijkheden wijst. Door verplicht en gratis onderwijs, uitbanning van extreme uitbuiting, betere nationale wetgeving en verplichte geboorteregistratie zouden kinderen meer kansen krijgen, meent UNICEF.

De discussie over kinderarbeid wordt enigszins bemoeilijkt door de NAT's (Niños, Niñas y Adolescentes Trabajadores), zelforganisaties van werkende kinderen en jongeren. De NAT's, zo bleek tijdens een wereldbijeenkomst van werkende kinderen in 1996, zijn niet voor afschaffing van kinderarbeid, maar ijveren voor betere arbeidsomstandigheden: officiële arbeidscontracten, loonsverhoging bij deflatie, onderwijs dat aansluit op hun werknemersbehoeften en een goede verzekering in geval van ziekte.

De NAT's spreken zich opvallend genoeg niet uit tegen slavernij, prostitutie en gedwongen arbeid – de ergste vormen van kinderarbeid volgens de nieuwe ILO-conventie. Niet omdat ze voor extreme uitbuiting zijn, maar omdat deze praktijken volgens hen niet in het arbeidsrecht, maar in het strafrecht thuishoren. Ondanks het in het VN-verdrag inzake de rechten van het kind vastgelegde recht op meningsuiting zijn de eisen van de NAT's niet in het nieuwe ILO-verdrag terug te vinden.

Volgens Esther de Haan, medewerkster van de Schone Kleren Kampagne, een Europees initiatief om de wantoestanden in de kledingindustrie aan de kaak te stellen, moeten de eisen van kindarbeiders wel degelijk serieus worden genomen, want ,,mondigheid is een groot goed''. Zij keert zich niet tegen goedbedoelde initiatieven om de kinderarbeid aan banden te leggen, maar onderstreept dat het geen geïsoleerd probleem is. De Haan: ,,Kinderarbeid wordt door werkgevers nogal eens op de agenda gezet, omdat het publicitair hoog scoort en op de sentimenten werkt. Maar ook de rechten van volwassen arbeiders in lagelonenlanden worden nogal eens met voeten getreden. De Schone Kleren Kampagne pleit daarom voor een totaalpakket; kinderen zijn tenslotte de volwassenen van morgen.''

    • Danielle Pinedo