Nederland moet NAVO-verplichtingen nakomen

De alternatieve plannen van de PvdA om de Nederlandse krijgsmacht op de schop te nemen zijn kortzichtig en niet reëel, vindt Theo van den Doel. Voorop moet staan dat Nederland te allen tijde aan zijn NAVO-verplichtingen kan voldoen, zelfs als dat meer geld kost.

Binnenkort verschijnt de nieuwe defensienota. De PvdA heeft begin september als voorschot op de discussie al een eigen nota gepresenteerd: `Plan voor de Krijgsmacht'. D66 is afgelopen week met een 21-punten plan gekomen. Bij de presentatie van de PvdA-nota werd onmiddellijk gezegd dat het geen bezuinigingsnota was. Dat siert de PvdA, temeer daar deze partij tot nu toe alleen maar op de krijgsmacht heeft willen bezuinigen. Vorig jaar immers, een week voor de Tweede-Kamerverkiezingen, kwam diezelfde partij ook met een `Plan voor de krijgsmacht'. Daarin werd toen voorgesteld bijna een miljard op het defensiebudget te korten. Gelukkig is dat plan geen werkelijkheid geworden. Moeizame onderhandelingen resulteerden uiteindelijk, zeer tegen de zin van de VVD in, in een nieuwe aanslag op het defensiebudget van 375 miljoen gulden. De vraag is nu of dit nieuwe PvdA-plan wèl werkelijkheid zou moeten worden. Als het aan de VVD ligt niet.

De PvdA kiest voor een expeditionaire krijgsmacht die primair geschikt is om vredesoperaties uit te voeren. Om dat doel te bereiken wordt de gehele defensieorganisatie op de schop genomen. In die optiek heeft men ook geen behoefte aan het Duits-Nederlandse Legerkorps en kunnen alle mobilisabele eenheden verdwijnen, en de marine worden gehalveerd. In Kosovo, Bosnië en Cyprus heeft men immers geen behoefte aan fregatten. Maar zo'n opvatting is te kortzichtig.

De Nederlandse krijgsmacht heeft drie hoofdtaken. Allereerst de uitvoering van de collectieve verdedigingstaak – anders gezegd de bescherming van de eigen burgers en het bondgenootschappelijk grondgebied. Die taak vloeit voort uit artikel 5 van het NAVO-verdrag en vormt nog steeds de hoeksteen van het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid. Zo lang de lidstaten binnen de NAVO nog niet tot afspraken over taakspecialisatie zijn gekomen dient Nederland als trouwe bondgenoot zijn bijdrage in een breed spectrum te blijven leveren. Dat betekent een volwaardige bijdrage van marine, land- en luchtmacht aan het bondgenootschap.

De deelname aan crisisbeheersingsoperaties, veelal eufemistisch aangeduid met de term `vredesoperaties', is naast de collectieve verdedigingstaak, één van de belangrijke nieuwe taken van de krijgsmacht geworden. Nederland dient naar vermogen in NAVO-verband hieraan een bijdrage te leveren. Immers alleen de NAVO, als geïntegreerde militaire organisatie, is in staat om complexe militaire operaties uit te voeren. Zelfs de `voormalige CPN-kern' van GroenLinks is recent tot die conclusie gekomen. Wie denkt dat de VN, de OVSE of de Europese Unie hiertoe in staat is, bevindt zich op een dwaalspoor. Het voorstel van D66 om uiteindelijk tot een zelfstandige Europese Defensie te komen, dus los van de NAVO, is om die reden alleen al gevaarlijk en onverstandig.

De derde taak van de krijgsmacht betreft de militaire bijstandstaak bij rampen en de ondersteuning van de nationale rechtsorde. Dat is ook een volwaardige taak en betekent dat bij calamiteiten personeel en materieel beschikbaar moeten zijn. Naast eenheden van de parate krijgsmacht kan ook de `Nationale Reserve' hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Ook het aandeel van de Koninklijke Marechaussee is hier van groot belang. Het voorstel van D66 om te bezien of de marechaussee kan worden overgeheveld naar de politie getuigt van weinig inzicht in het takenpakket van dit krijgsmachtdeel. Mobiel toezicht op vreemdelingen en bewaking van de buitengrenzen is nooit een politietaak geweest en moet het ook niet worden.

Zowel de PvdA als D66 willen alle mobilisabele eenheden opheffen. Deze zijn immers voor vredesoperaties niet bruikbaar, is hun redenering. In de huidige situatie is dit waar, maar het mobilisabel bestand vervult wel een belangrijke rol bij de uitvoering van de collectieve verdediging. Maar er kan wel een beter gebruik worden gemaakt van dit bestand. Het mobilisabel bestand moet dan ook flexibeler worden gemaakt. Daarom moet het worden omgevormd tot een reserve-bestand dat voor een deel ook als voortzettingscapaciteit voor vredesoperaties kan worden gebruikt. Hierbij kan worden gedacht aan speciale eenheden zoals genie-eenheden, geneeskundige- en logistieke eenheden. Uiteraard kan inzet van dergelijke eenheden alleen maar plaatsvinden als het reserve-personeel goed is opgeleid. Inzet vindt alleen plaats op vrijwillige basis. Een dergelijke benadering sluit goed aan bij het nieuwe Strategisch Concept van de NAVO. Dat concept is er op gebaseerd dat de NAVO een actieve rol vervult bij crisisbeheersingsoperaties en om die reden over meer eenheden moet beschikken die op korte termijn inzetbaar zijn. Ook sluit het aan bij een actievere opstelling van de Europese Unie. Deze kan immers voor de uitvoering van haar buitenlands- en veiligheidsbeleid een beroep doen op de NAVO. In de plannen van de PvdA wordt voorgesteld het aantal eenheden bij de landmacht uit te breiden. D66 laat het op dit punt afweten. Het oplossen van personele knelpunten heeft de steun van de VVD omdat het gebrek aan personeel tot fricties leidt bij de uitvoering van vredesoperaties. In de Prioriteitennota is destijds niet goed onderkend dat vredesoperaties personeels-intensieve operaties zijn. Door de voortdurende bezuinigingen op het defensiebudget is er de afgelopen jaren onvoldoende mogelijkheid geweest om deze weeffout te herstellen. De huidige knelpunten die zich bij vredesoperaties voordoen, zoals gebrek aan personeel, hoge uitzendfrequentie, te weinig tijd voor opleiding en oefening moeten dan ook met voorrang worden opgelost. Dat betekent in de eerste plaats dat de parate sterkte moet worden uitgebreid. Die uitbreiding moet zodanig zijn dat ruimte ontstaat om de uitzendfrequentie te wijzigen. De tot nu toe gepresenteerde voorstellen van de minister van Defensie vindt de VVD te mager. Gezien de ervaringen van de afgelopen jaren dient de beroepsmilitair (BOT) na een half jaar te zijn uitgezonden niet één jaar, maar in principe twee jaar vrij te zijn van uitzending. Op deze manier wordt er minder wissel getrokken op het personeel en hun gezinnen. Ook dat laatste is van wezenlijk belang. Door deze aanpak komt ook meer tijd beschikbaar voor opleiding en oefening. Een krijgsmacht is alleen maar geloofwaardig als het personeel voldoende is gemotiveerd en alle opgedragen taken kan uitvoeren.

Het takenpakket van de krijgsmacht is de laatste jaren fors veranderd. De krijgsmacht wordt daadwerkelijk ingezet en is een actief instrument geworden van het Nederlands buitenlands beleid. De inhoud van het militaire beroep is dan ook niet meer hetzelfde als tien jaar geleden. Dat heeft ook consequenties voor het defensiepersoneel. Sinds begin jaren negentig hebben zo'n 40.000 militairen deelgenomen aan vredesoperaties. Velen komen daarvan beschadigd terug en houden daar blijvend psychisch of lichamelijk letsel aan over. Het militaire beroep is dan ook geen gewoon beroep en daarom is een herwaardering van het militaire beroep noodzakelijk. Die herwaardering zal zichtbaar moeten worden in het personeelsbeleid als onderdeel van de nieuwe defensienota. Daarnaast hoopt de VVD dat ook vanuit politiek en samenleving de attitude ten opzichte van de krijgsmacht minder krampachtig wordt.

Wanneer de oplossing van de huidige personele knelpunten en de noodzakelijke verbeteringen binnen de krijgsmacht niet binnen het huidige budget worden gerealiseerd, dan dient te worden aangegeven welke consequenties dit heeft voor het politieke ambitieniveau. Andere hoofdtaken kunnen niet worden verzaakt en er kan geen roofbouw blijven worden gepleegd op het personeel. Daarnaast moet de komende jaren voldoende geld over blijven voor investeringen. Meer personeel en meer eenheden betekent hogere exploitatiekosten. Bij een gelijkblijvend budget gaat dit ten koste van de investeringen. Bij de Prioriteitennota werd nog uitgegaan van bijna 30 procent. Voor het volgend jaar is het investeringspercentage niet hoger dan 20 procent. Bij uitbreiding van de parate sterkte, zonder dat het budget wordt bijgesteld, zullen de investeringen nog verder dalen. Dat leidt op termijn tot uitholling van kwaliteit en tot een slecht inzetbare krijgsmacht. Zo ver mag het niet komen. De defensieuitgaven zijn in Nederland gedaald tot 1,7 procent van het Bruto Nationaal Product. Voor de West-Europese landen ligt het gemiddelde op 2,2 procent. Nederland valt dus uit de boot met zijn bijdrage aan de internationale veiligheid. Diegenen die vinden dat de Europese landen meer verantwoordelijkheid moeten dragen voor hun eigen veiligheid, weten dus wat ons staat te doen. Het debat in de komende maanden over de nieuwe defensienota is dan ook de lakmoesproef voor alle politieke partijen of zij daadwerkelijk bereid zijn de knelpunten bij de krijgsmacht op te lossen, ook als dit meer geld zou kosten.

M. van den Doel is lid van de Tweede Kamer en defensiewoordvoerder voor de VVD-fractie.

    • Theo van den Doel