Imiteren en inspireren

Een van de lastige aspecten van innovatie is dat originaliteit niet steeds beloond wordt. Weliswaar bestaan er intellectuele eigendomsrechten zoals auteursrechten (copyrights), handelsmerken en octrooien, maar niet zelden vallen die te omzeilen. Toe-eigenbaarheid van innovatie is dan ook een bekende problematiek in de innovatieliteratuur. Concurrenten halen nieuwe machines helemaal uit elkaar en waar onderdelen beschermd zijn, zoeken ze een omweg om tot dezelfde oplossing te komen (`reverse engineering'). Octrooiaanvragen worden gebruikt als bron om te zien waar concurrenten mee bezig zijn. Ook in de wetenschappelijke wereld worden ideeën van anderen niet zelden zonder bronvermelding overgenomen. Zoals bekend vertalen sommige auteurs zelfs hele boeken om die onder eigen naam te publiceren.

Ook design-innovaties zijn moeilijk te beschermen. Ooit ontmoette ik een ontwerper wiens inkomen voor de helft bestond uit de rechten op één door hem ontworpen siersteen die met name in Duitsland populair was. In dat ene geval werd hij door iedereen erkend als de originele ontwerper. Maar in de regel werden zijn stenen al snel met (of ook zonder) minieme wijzigingen gereproduceerd en meestal buiten zijn weten op de markt gebracht. Overigens kan iemand anders op originele wijze hetzelfde ontwerp bedacht hebben. Maar als er een erkend intellectueel eigendomsrecht is, dan is dat jammer voor die andere.

Bij nieuwe ontwerpen waarbij alleen sprake is van vernieuwing in vorm en esthetiek, zijn de enig mogelijke vormen van bescherming het auteursrecht en een erkend `ornamenteel model'. Het auteursrecht ontstaat automatisch bij een originele creatie met een herkenbare auteur (bijvoorbeeld door de hand- en dagtekening) en duurt tot 50 jaar na diens dood. Bij ontwerpen kan men dit auteursrecht in Nederland laten vastleggen door daarop bij de gemeente een datumstempel te laten zetten. Er zijn evenwel landen, zoals Italië en de Verenigde Staten, waar auteursrechten niet gelden voor driedimensionale esthetische ontwerpen. In dat geval kan men alleen een driemensionaal `ornamenteel ontwerp' laten erkennen. Voor de erkenning van een dergelijk model wordt meestal als eis gesteld dat het nieuw is en niet voor de hand ligt. Daar wordt in de regel overigens geen diepgaand onderzoek naar ingesteld. Mogelijke problemen ontstaan als iemand met een model komt aanzetten dat reeds vroeger erkend werd. In veel landen zijn ornamentele modellen vijftien jaar geldig. De Europese Unie probeert op dit punt tot een binnen de hele Unie eenvormige regeling te komen.

Dit alles neemt niet weg dat design-innovaties juridisch moeilijk te beschermen zijn. Soms ontstaan er bijvoorbeeld modes waarbij ontwerpers zich door elkaar laten `inspireren'. De oorspronkelijke ontwerpers zijn daar niet altijd ongelukkig mee. Ten eerste zien ze dat als een soort eerbetoon aan hun ontwerp en al helemaal als iedereen weet wie aan de oorsprong van die mode stond. En ten tweede kan er een vliegwieleffect ontstaan waardoor ze zelf ook meer verdienen dan zonder die imitatoren het geval zou zijn geweest. Maar het gevaar blijft natuurlijk bestaan dat de innovator helemaal niets verdient en ook niet erkend wordt.

Om meer greep te krijgen op deze problematiek heeft de Rotterdamse bedrijfskundige Gerda Gemser (tegenwoordig werkzaam in Groningen) de afgelopen vijf jaar onderzoek verricht naar de toe-eigenbaarheid van design-innovatie, op basis van een vergelijking tussen de Nederlandse en Italiaanse meubelindustrie. Ze is daar in juli dit jaar op gepromoveerd in Rotterdam (Design Innovation and Value Appropriation, uitgave in eigen beheer). Eerlijk gezegd het beste proefschrift dat ik het afgelopen jaar gelezen heb, ambitieuzer van karakter en ook in beter Engels dan ik van tegenwoordige aio-projecten gewend ben.

Gemser, die vloeiend Italiaans spreekt, deed haar onderzoek op basis van uitgebreide interviews bij 22 meubelbedrijven die op het vlak van design vooroplopen: 9 in Italië en 13 in Nederland. In het eerste geval een derde van de relevante bedrijven, in het tweede bijna driekwart. Uit Gemsers onderzoek komt helder naar voren dat naast wettelijk geregeld intellectueel eigendomsrecht een ander mechanisme feitelijk belangrijker is als bescherming van innovatie, namelijk reputatie. Zowel de Nederlandse als de Italiaanse meubelbedrijven vinden het belangrijk bekend te staan als innoverend en willen mede daarom niet verdacht worden van imitatie. Soms houden ze de concurrentie vooral in het oog om in geen geval erg gelijkende modellen op de markt te brengen. Daarnaast organiseren ze zich ook in verenigingen om toezicht te houden op elkaars gedrag en dat eventueel tijdig bij te sturen. Het organiseren van wedstrijden of van erkenningen (zoals die van `Goed Industrieel Ontwerp' in Nederland) is daarvan een onderdeel. Want ook hiermee worden ontwerpen vastgelegd (bijvoorbeeld in catalogussen) en imitatoren gemakkelijker ontmaskerd.

Heeft wettelijke bescherming dan geen functie? Toch wel, want er wordt nog steeds het nodige afgekopieerd, zij het vooral door de bedrijven die niet in de topliga meespelen. De innovators maken dan ook maximaal gebruik van de wettelijke instrumenten, maar daarop blindvaren doen ze niet. Publieke regulering vullen ze aan met slimme vormen van zelfregulering.

    • Dany Jacobs