Het geloof van een kind

Tien jaar geleden tekende een aantal landen het Verdrag voor de rechten van het kind onder voorbehoud van religieuze bezwaren. Compromissen lijken het recht te verzwakken.

HET GELOOF LIJKT het niet altijd even nauw te nemen met de rechten van het kind. In India bijvoorbeeld houdt het kastensysteem van het hindoegeloof de ongelijkheid in stand. Voor mensen uit de laagste kaste is overstappen naar een andere religie vaak de enige manier om de levenslange armoede te ontlopen. Het gevolg van die overstap is volgens de Indiase wet dat ouders uit de ouderlijke macht worden gezet. Het kind wordt weggehaald bij de ouders terwijl het recht heeft om bij zijn ouders te leven.

De mensenrechtenbeweging heeft, onder invloed van het toenemend religieus fanatisme, het onderwerp religie en rechten van de mens hoog op de agenda gezet. Over kinderen wordt echter met geen woord gesproken. In 1988 stelden de Verenigde Naties een speciale rapporteur voor de vrijheid van religie en geloof aan. Maar de positie van kinderen hierbij is nog nooit aan bod gekomen. Ook op een grote conferentie vorig jaar in Oslo over de rechten van de mens en religie repte men met geen woord over kinderen. Bij een organisatie als Amnesty International lijkt men de godsdienstvrijheid dood te zwijgen. ,,Het is'', zo redeneert Amnesty, ,,een extra categorie aanbrengen die waarschijnlijk niets toevoegt.'' En bij de kinderrechtenbeweging weet men zich geen raad met het onderwerp omdat het te controversieel zou zijn. Philip Veerman, voorzitter van Defence for Children International (DCI) en directeur van de Israelische afdeling van DCI: ,,Ondanks de algemene ratificatie van het verdrag, erkennen veel landen de vrijheid van religie voor een kind nog steeds niet.''

Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind is moeizaam tot stand gekomen. ,,De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst van een kind wordt erkend, binnen de grenzen van de verantwoording van de ouders en de grenzen van de nationale wetgeving'', aldus artikel 14 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Volgens artikel 18 van het Internationale Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten is het hebben of aanvaarden van een godsdienstige overtuiging een eigen keuze. Een kind is dus niet geheel vrij om zijn of haar eigen religie te kiezen. De formulering van artikel 14 is na veel onderhandelingen tot stand gekomen.

Tien jaar geleden heeft een aantal landen het Verdrag onder voorbehoud getekend. De meeste bezwaren werden aangevoerd tegen artikel 14. Islamitische landen als Marokko, Algerije en Bangladesh accepteerden de formulering niet; deze landen kennen een kind het recht niet toe om een eigen religie te kiezen. Een aantal andere landen zoals Iran en Pakistan ging zelfs verder en stelde de shari'a – de islamitische wetgeving – boven het Verdrag. Overigens voerde Nederland als enige land het bezwaar aan dat artikel 14 niet ver genoeg gaat.

Niet alleen artikel 14 zorgde voor een controverse op religieus gebied. Ook het recht op leven van het ongeboren kind en adoptie waren heikele onderwerpen. De islam verbiedt adoptie zoals we die in Westerse landen kennen; het is een zonde als een kind niet meer de naam van de vader draagt. Overigens is het wel een daad van barmhartigheid om een wees op te nemen. In het verdrag is uiteindelijk ook de islamitische variant van adoptie, de kalafah, opgenomen. Kalafah betekent zoveel als een uitgebreid familierecht. En om Polen en het Vaticaan tegemoet te komen is het recht op leven van het ongeboren kind verwerkt in een inleidende tekst van het Verdrag waarin sprake is van `passende bescherming zowel voor als na de geboorte'.

Philip Veerman wordt als voorzitter van DCI Israel dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van religie in het leven van kinderen. Een omstreden rechtszaak in Israel was voor hem reden het onderwerp ter sprake te brengen in de mensen- en kinderrechtenbeweging. In Israel valt het familierecht onder de religieuze rechtbank; bij scheiding, toekenning van voogdij en opvoedingsgeschillen staan ouders voor deze rechtbank. Een gescheiden ouderpaar bevocht de religieuze macht over hun kinderen. De vader was joods en de moeder Jehova-getuige. De oordelen van de opeenvolgende rechtbanken spraken elkaar tegen. Welk belang prevaleert: dat van de kinderen, van de ouders of van de staat? Sommige rechters stelden het belang van het kind voorop met artikel 14 in het achterhoofd. Anderen stelden het belang van de ouders boven dat van de kinderen. Uiteindelijk besloot de Israelische Hoge Raad de moeder uit de ouderlijke macht te ontzetten. Soortgelijke zaken speelden ook in Australië en de Verenigde Staten.

Het tienjarig jubileum van de Rechten van het Kind is een goede aanleiding om het onderwerp eindelijk onder de aandacht van de wereld te brengen. Eind deze maand organiseert DCI Israel in samenwerking met een Palestijnse organisatie in de Palestijns-Israelische stad Nazareth een congres over kinderrechten en religie. Aan de orde komen zaken als sekten, de vrijheid van kinderen om hun geloof te verlaten maar ook de connectie tussen geloof en kindermishandeling. Kinderen uit Belfast, Sarajevo, Israel en Palestina vertellen over hun leven in gebieden waar religie de oorzaak is van gewapende conflicten. Een mooie gelegenheid volgens Veerman om de werelden van de godsdiensten, het kinderrecht en de rechten van de mens dichter bij elkaar te brengen.

    • Anja Vink