De wachtlijst

De thuiszorg, ziektekostenverzekeraars en het ministerie zijn in hevige beroering nu de rechter heeft bepaald dat de zorgverzekeraar onmiddellijke hulp moet financieren voor vier van de 23.000 wachtlijsters. Het getouwtrek over de vraag waar dat geld vandaan moet komen wordt in de media breed uitgemeten. Wat ik mis is de stem van de toekomstige cliënt en van familie die almaar moeten wachten. De hulpvragers hebben eerst hun hele `hebben en (huis)houden' op tafel gelegd bij het indicatieorgaan, terwijl ze recht hebben op hulp krachtens de AWBZ.

In feite gaat het bij ongeveer 20.000 mensen, meest alleenstaande ouderen, om drie of vier uur per week hulp voor het zware huishoudelijke werk. Dat lijkt voor jonge vitale mensen niet veel, maar het betekent alles voor wie zelf door handicap of ouderdom het huishouden niet meer aankan. Het gaat ook niet louter om die paar uur hulp, want de cliënt krijgt aandacht en sociaal contact met de helpster. Dat dagdeel hulp geeft structuur aan de week, die lang duurt als je veel moet thuiszitten. Als voorzitter van een cliëntenraad krijg ik te horen hoe mensen zich steeds meer de underdog gaan voelen door het uitblijven van hulp. Ze voelen zich door het financiële getouwtrek boven hun hoofd steeds armoediger en afhankelijker, triest en mistroostig. Het schrikbeeld van verzorgings- of verpleegtehuis komt naderbij. Ik hoor vaak dat door het uitblijven van hulp, ouderen zich gaan forceren, vallen en arm of heup breken.

De triestheid van de wachtlijst heeft maatschappelijke consequenties. De enkele uren hulp van de thuiszorg hebben een grote sociale meerwaarde.

    • M. van der Bruggen-Grevelink