Bebouwing bedreigt open gebieden

Ondanks de goede bedoelingen van de beleidsmakers op het gebied van de ruimtelijke ordening lukt het niet de open gebieden ook open te houden.

Het beleid van de overheid om open gebieden als het Groene Hart, de Utrechtse Heuvelrug en de IJsselvallei te vrijwaren van nieuwe bebouwing is tot dusverre een mislukking. Sluipenderwijs neemt het aantal woningen, bedrijven, kantoren, wegen en spoorwegen er toch toe.

Tussen 1989 en 1993 nam de bebouwing in elf van zulke `open' gebieden toe met een oppervlak van 375 voetbalvelden. Of anders gezegd: van 1990 tot 1998 groeide het aantal nieuwe woonadressen er met 25 procent. Dit concludeert de Rijks Planologische Dienst (RPD) in de eerste Balans Ruimtelijke Kwaliteit, die gisteren is gepresenteerd.

Het einde van deze tendens is nog allerminst in zicht. Er zal, zo is nu al vastgelegd in bestemmingsplannen, nog een gebied ter grootte van 1100 voetbalvelden worden afgesnoept van deze elf zogeheten restrictieve gebieden ten bate van bedrijfsterreinen. Bovendien zullen er nog eens 52.000 woningen worden gebouwd en wellicht zelfs nog veel meer.

RPD-directeur H. van der Cammen erkende dat deze ontwikkeling het ministerie van VROM, waaronder de RPD valt, zorgen baart. Het departement kampt met wat hij omschreef als ,,het pijplijn-probleem'. Dit betekent dat beleid dat in Den Haag is vastgesteld lang nodig heeft om door te sijpelen tot de streekplannen en de bestemmingsplannen van de lagere overheden. ,,Sommige gemeenten werken nog met bestemmingsplannen uit de jaren 50'', aldus Van der Cammen.

Gemeenten bedienen zich bovendien nogal eens van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dat ook wel wordt aangeduid als ,,de grote leugen''. In de praktijk geeft dit gemeenten bijna carte blanche om af te wijken van het bestemmingsplan op voorwaarde dat het bestemmingsplan later wordt aangepast. Voor dit laatste nemen de gemeenten vaak niet de moeite. Minister Pronk (VROM) heeft met het oog hierop al aangekondigd dat hij de wet wil aanpassen.

Over het algemeen valt de balans van de ruimtelijke kwaliteit echter volgens de RPD tamelijk positief uit. De dienst wijst erop dat de meeste Nederlanders tevreden zijn met hun woon- en leefomgeving. Positief vindt de RPD ook dat de overheid er ondanks het weinig succesvolle beleid voor de restrictieve gebieden in is geslaagd de bouw van nieuwe woningen en andere gebouwen voor bijna driekwart te concentreren in grote steden en hun directe omgeving, waardoor de druk op de open ruimte enigszins beperkt bleef.

Overigens is de concentratie in een ander opzicht mislukt. Steeds meer Nederlanders werken buiten hun eigen stad of de directe omgeving daarvan. Hun aantal nam tussen 1985 en 1997 met 74 procent toe. Dit heeft onder andere te maken met de opkomst van de tweeverdieners. Het is dikwijls lastig voor paren om allebei werk in dezelfde plaats te vinden. Deze laatste ontwikkeling strookt niet met wat de auteurs van het rapport onder ruimtelijke kwaliteit verstaan. Zij menen dat die vooral bereikt wordt wanneer wonen, werken en voorzieningen zich zoveel mogelijk in elkaars nabijheid binnen de steden en hun directe omgeving bevinden.

De RPD constateert tevreden dat de landelijke gebieden in Nederland zich in het algemeen voorspoedig ontwikkelen. De werkgelegenheid groeit er, een belangrijk bewijs van de vitaliteit van die gebieden. Alleen het noorden blijft enigszins op de rest van het land achter. Wel ontbreken zowel in het noorden als het oosten in kleine dorpen soms voldoende winkels alsook medische en educatieve voorzieningen. Zo'n 7 procent van alle Nederlanders klaagt over het niveau van dergelijke voorzieningen.

Ook rekent de RPD af met een theorie, die de laatste jaren wel eens is verkondigd, als zouden steeds meer mensen wegtrekken uit het overvolle westen van het land naar zuid- en oost-Nederland. De cijfers geven een ander beeld te zien. Weliswaar trekken er tegenwoordig iets meer mensen uit het westen naar het zuiden, maar dit wordt ruim gecompenseerd door een aanhoudende trek uit andere delen van het land, vooral uit het noorden, naar datzelfde westen. Wel stelt de RPD vast dat de werkgelegenheid thans relatief het snelst toeneemt in het oosten.

Ook de natuur in Nederland vertoont een wisselvallig beeld. Weliswaar groeit het totale areaal van de natuurgebieden de laatste jaren, maar de verscheidenheid ervan loopt terug. Er komt naar verhouding steeds meer bos maar andere natuurterreinen zoals heide, grasland en duingebieden brokkelen steeds verder af. De afzetting van ammoniak door de intensieve veehouderij blijft zorgelijk. Ook verdroogt de bodem. Bijna een vijfde van de landelijke gebieden is hierdoor getroffen, in het bijzonder in Noord-Holland en Noord-Brabant. Een positief punt daarentegen is dat het aantal watervogels in zogeheten `wetlands' is toegenomen.

    • Floris van Straaten