Armoede in Nederland

DE WELVAART IS nog nooit zo groot geweest, de sociale zekerheid nog nooit zo uitgebreid, en toch telt Nederland aan het einde van de twintigste eeuw nog altijd aanzienlijke clusters van mensen in armoedige situaties. Het aantal huishoudens dat moet rondkomen van een minimuminkomen of een inkomen nét iets daarboven, is ondanks de stormachtige banengroei van de afgelopen jaren bovendien nagenoeg constant gebleven. De materiële verbetering aan de sociale onderkant van de samenleving die zich sinds vorig jaar aftekent, is vooral te danken aan de verhoging van de uitkeringen, met name de AOW.

Voor het derde achtereenvolgende jaar hebben het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deze week hun Armoedemonitor gepubliceerd. De studie biedt interessant materiaal, waarop de Pavlovreactie van politici vooral niet moet zijn dat hiermee is aangetoond dat de sociale uitkeringen structureel omhoog moeten. De achtergronden van de armoede zijn gecompliceerder, gedifferentieerder en vooral ook dynamischer.

Drie kanttekeningen vooraf zijn te maken. Ten eerste is armoede een relatief begrip. Lage inkomens in Nederland (de grens is netto ƒ1.620 voor een alleenstaande, ƒ2.090 voor een eenoudergezin met één kind en ƒ2.180 voor een echtpaar zonder kinderen zonder huursubsidie) zijn iets anders dan wat elders in de wereld onder armoede wordt verstaan. Ten tweede bevindt 85 procent van de huishoudens zich boven de lage inkomensgrens. Ten derde heeft weliswaar zo'n 20 procent van de bevolking gedurende één of meer jaren te maken met een laag inkomen, maar de groep die voortdurend in armoede leeft, is niet groter dan 220.000 mensen – drie procent van de bevolking. Zonder het te bagatelliseren, moet dit sociale vraagstuk niet overdreven worden.

Uiteenlopende plannen voor armoedebestrijding staan op het ogenblik in de aandacht. In Heerlen heeft een wethouder voorgesteld om een `minimawinkel' met brood van gisteren en etenswaren tegen hun houdbaarheidsdatum open te stellen. In andere steden bestaan speciale kortingsregelingen voor bijstandsontvangers. Het kabinet wil dat bijstandsmoeders – alleenstaande vrouwen met minderjarige kinderen – verplicht worden om een baan te zoeken, maar de Kamer voelt daar vooralsnog niets voor.

TOCH IS DIT EEN weg uit de sociale uitsluiting. Uit de cijfers van de Armoedemonitor blijkt bijvoorbeeld dat van alle eenoudergezinnen met minderjarige kinderen maar liefst de helft moet rondkomen van een minimuminkomen. In Nederland doet zich – in navolging van de Verenigde Staten – een `feminisering' van de armoede voor: alleenstaande moeders en oudere vrouwen vormen wat lage inkomens betreft de kwetsbaarste groepen.

De Armoedemonitor biedt ook inzicht in de ongelijke etnische en geografische spreiding van de armoede in Nederland. De sterkste concentratie doet zich voor onder allochtonen, waarbij creools-Surinaamse alleenstaande moeders zich overigens in positieve zin onderscheiden van andere groepen. Gemiddeld 43 procent van de huishoudens uit niet-Westerse landen, en zelfs 60 procent van de vluchtelingen behoort tot de groep met lage inkomens. Verder is de langdurige armoede geconcentreerd in de grote steden met Rotterdam als lijstaanvoerder.

Werk biedt een uitweg, maar de banengroei die zich sinds het midden van de jaren tachtig voordoet gaat grotendeels aan deze mensen voorbij. De tweeverdieners hebben het meeste geprofiteerd van alle nieuwe banen. Het aantal `nulverdieners' is nauwelijks teruggelopen. Dat komt deels door de zogenoemde `armoedeval' die in Nederland wagenwijd open staat (wie gaat werken, verliest inkomensondersteunende subsidies en gaat er daardoor nauwelijks of zelfs helemaal niet op vooruit in inkomen), deels omdat het werk niet beklijft door bijvoorbeeld taal- en opleidingsachterstanden. Toch biedt voor veertig procent van degenen die werk vinden, een baan de blijvende ontsnapping aan armoede. Dat aandeel moet aanzienlijk omhoog. Met de huidige krappe arbeidsmarkt moet dat met een beetje beleidsmatige bijsturing ook lukken.